Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-27
ECLI:NL:RBZWB:2024:1236
Strafrecht
Op tegenspraak
770 tokens
Dictum
In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen
[veroordeelde]
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats]
wonende te [woonplaats],
thans gedetineerd in de P.I. te Vught.
Procesverloop
Bij vonnis van 19 februari 2024 van de Rechtbank Zeeland West-Brabant is [veroordeelde] - kort gezegd - veroordeeld tot een gevangenisstraf en een ter beschikkingstelling met voorwaarden, onder meer inhoudend een langdurige verplichte opname in een kliniek. De rechtbank heeft deze ter beschikkingstelling met voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, mede omdat [veroordeelde] op korte termijn geplaatst kan worden in een kliniek. Ter zitting is aan de rechtbank medegedeeld dat de kliniek voor een korte tijd de plaats voor [veroordeelde] reserveert. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis niet opgeheven omdat sprake is van een veroordeling aan [veroordeelde] een maatregel is opgelegd welke vrijheidsbeneming medebrengt of kan medebrengen (art. 72 lid 3 Sv).
Beoordeling
Na de uitspraak van het vonnis heeft het AICE aan de rechtbank medegedeeld dat [veroordeelde] alleen op korte termijn geplaatst kan worden in de kliniek, indien de rechtbank bij herstelvonnis de voorlopige hechtenis opheft. Het AICE stelt zich op het standpunt dat [veroordeelde] pas geplaatst kan worden na 60 dagen, omdat gedurende die dagen de voorlopige hechtenis nog loopt. Het baseert zich daarbij op een uitleg van de wet die door de rechtbank niet gedeeld wordt. Het gevolg is dat het weigert uitvoering te geven aan het door de rechtbank gewezen vonnis dat plaatsing op korte termijn beoogt.
In de Nederlandse rechtsstaat is de uitvoerende macht, waar het AICE onderdeel van uitmaakt, verplicht strafvonnissen van de rechter loyaal uit te voeren. Zij kan en mag geen eigen beleid voeren ter zake de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, bijvoorbeeld omdat zij het met de inhoud daarvan niet eens is, een andere interpretatie van de wet hanteert, of omdat haar computer systemen niet op bepaalde rechterlijke beslissingen zijn ingesteld. De weigering van het AICE het vonnis van de rechtbank loyaal uit te voeren baart de rechtbank om rechtstatelijke redenen zorgen. Daar komt bij dat het belang van de samenleving en [veroordeelde] gediend is met zo spoedig mogelijke aanvang van de behandeling, zoals in het vonnis overwogen.
De raadsman van [veroordeelde] is op de hoogte gesteld van het standpunt van AICE, en heeft per brief alsnog opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht, om te voorkomen dat de plaats voor zijn client verloren gaat in de kliniek.
De rechtbank zal dat verzoek om praktische redenen honoreren, hoewel zij het om rechtsstatelijke redenen ongewenst vindt.
Dictum
De rechtbank heft het bevel tot voorlopige hechtenis op.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.H.W.M. Sterk, rechter, in tegenwoordigheid van de griffier G.H.J. van Rensch en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 februari 2024.