Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-06
ECLI:NL:RBZWB:2024:1231
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
1,283 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/417116 FA RK 23-5920
6 februari 2024
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw]
,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M.P.J. Brouwers,
en
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W.C.G.M. van Hoof.
1. Het procesverloop
1.1. Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 18 december 2023 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 4 januari 2024 ontvangen verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het bericht van het mediationbureau van 24 januari 2024 met als bijlage het door beide partijen ondertekende ouderschapsplan;
- het F9-formulier van 25 januari 2024 van mr. Brouwers;
- het F9-formulier van 25 januari 2024 van mr. Van Hoof.
1.2. De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 9 januari 2024. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat.
Tevens was aanwezig mr. H. Kurvers, piketmediator.
2De verzoeken
De vrouw heeft aanvankelijk verzocht, samengevat,
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door haar;
- toevertrouwing van de minderjarigen aan haar;
- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarigen van € 278,= per maand per kind.
De man heeft aanvankelijk verzocht, samengevat, voorwaardelijk -indien de rechtbank oordeelt dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning dient te worden toegekend aan een van beide partijen- :
- het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door hem;
- primair: toevertrouwing van de minderjarigen aan hem;
- subsidiair: vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (co-ouderschapsregeling).
Beoordeling
3.1.
Vanwege de nationaliteit en huwelijksplaats van partijen heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de standpunten van partijen besproken en nader toegelicht. Beide partijen hebben hierbij aangegeven dat zij gebruik willen maken van het aanbod om met de aanwezige (piket)mediator nader in gesprek te gaan om te bezien of zij overeenstemming kunnen bereiken over de verzoeken met betrekking tot hun minderjarige kinderen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , en over het gebruik van de echtelijke woning.
3.3.
Gebleken is dat partijen erin zijn geslaagd bij de mediator afspraken te maken over de minderjarigen. Deze afspraken zijn opgenomen in genoemd ouderschapsplan.
3.4.
In voormeld F9-formulier van 25 januari 2024 van de zijde van de vrouw is aangegeven dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verzoeken die in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure aan de rechtbank voorliggen. Dit maakt dat de vrouw haar verzoek ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning intrekt.
Zij verzoekt nu met betrekking tot de minderjarigen om te bepalen dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan deel zal uitmaken van de beschikking.
3.5.
Uit voormeld F9-formulier van de zijde van de man blijkt dat hij instemt met
het gewijzigd verzoek van de vrouw. De man trekt hierbij zijn voorwaardelijk zelfstandig verzoek in.
3.6.
Op verzoek van partijen zullen de door hen onderling getroffen regelingen worden opgenomen in deze beschikking.
3.7.
De voorzieningenrechter wijst partijen er hierbij op dat deze procedure ziet op het treffen van voorlopige maatregelen en dat deze beslissing in beginsel dan ook slechts geldt voor de duur van de echtscheidingsprocedure. Aan partijen wordt daarom in overweging gegeven om in die bodemprocedure eveneens te verzoeken om aanhechting van het ouderschapsplan aan de echtscheidingsbeschikking. Overigens zijn partijen onderling wel gebonden aan de tussen hen gemaakte afspraken, ook na afloop van de echtscheidingsprocedure.
3.8.
Nu de overige verzoeken zijn ingetrokken, kunnen deze niet meer worden onderzocht. Die verzoeken worden daarom afgewezen.
Dictum
De rechtbank
bepaalt dat de onderlinge regelingen uit het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking;
weigert het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Bollen en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2024.