Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-01-05
ECLI:NL:RBZWB:2024:122
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,215 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/3704
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2024 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] , uit [plaats 1] , eisers
en
Het dagelijks bestuur van waterschap Scheldestromen, verweerder
(gemachtigde: mr. C.C. Hamelink-Wolters).
Procesverloop
1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het dagelijks bestuur tot toepassen van spoedeisende bestuursdwang, bestaande uit het verwijderen van slik van een weg.
1.1.
Het dagelijks bestuur heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een verweerschrift in te dienen.
1.2.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 5 januari 2024. [eiser 1] was daarbij aanwezig. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde. [eiser 2] was niet aanwezig, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door [eiser 1] .
Overwegingen
2. De [weg] te [plaats 2] is in eigendom, beheer en onderhoud bij het waterschap. Het waterschap heeft op 2 november 2022 een melding ontvangen, inhoudende dat een scooterrijder op de [weg] ten val is gekomen, vanwege de aanwezigheid van slik op het wegdek. Het dagelijks bestuur heeft het wegdek bij wijze van spoedeisende bestuursdwang laten schoonmaken.
2.1.
Met het besluit van 16 november 2022 heeft het dagelijks bestuur aan [eiser 2] medegedeeld dat spoedeisende bestuursdwang is toegepast en medegedeeld dat de kosten apart bij hem in rekening zullen worden gebracht.
2.2.
[eiser 2] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 november 2022.
2.3.
Met het besluit van 7 juni 2023, gericht aan [eiser 1] , heeft het dagelijks bestuur het bezwaarschrift ongegrond verklaard en het besluit tot toepassen van spoedeisende bestuursdwang gehandhaafd.
2.4.
[eiser 1] is de vader van [eiser 2] . Zij wonen op hetzelfde adres.
2.5.
Eisers hebben erop gewezen dat het bestreden besluit is gericht aan [eiser 1] , en niet aan [eiser 2] . [eiser 1] heeft gesteld dat hij niet als overtreder in de zin van artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt, omdat hij ten tijde van het toepassen van de bestuursdwang in hechtenis zat.
2.6.
Ter zitting is namens verweerder gesteld dat er sprake is van een kennelijke verschrijving. Desgevraagd is ook gesteld dat [eiser 2] alsnog een beslissing op het door hem ingediende bezwaar zal ontvangen.
2.7.
De stelling van verweerder dat er sprake is van een kennelijke verschrijving en het desgevraagd gegeven antwoord dat [eiser 2] alsnog een beslissing op het door hem ingediende bezwaar zal ontvangen zijn niet verenigbaar.
De rechtbank verklaart het beroep van [eiser 2] niet-ontvankelijk. Het bestreden besluit van 7 juni 2023 is niet aan [eiser 2] gericht. [eiser 2] is daarom geen belanghebbende bij dat besluit, als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb. Alleen een belanghebbende kan beroep instellen. Dit volgt uit artikel 8:1 van de Awb.
2.8.
De rechtbank verklaart het beroep van [eiser 1] gegrond. [eiser 1] heeft geen bezwaar gemaakt, dus het dagelijks bestuur heeft de beslissing op bezwaar ten onrechte aan [eiser 1] gericht. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur niet betwist dat [eiser 1] niet als overtreder kan worden aangemerkt.
2.9.
Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan [eiser 1] te worden vergoed.
2.10.
Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep van [eiser 2] niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep van [eiser 1] gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 7 juni 2023;
draagt het dagelijks bestuur op het betaalde griffierecht van € 184,- aan [eiser 1] te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 5 januari 204 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.