Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2024-02-26
ECLI:NL:RBZWB:2024:1181
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,714 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/397457 / FA RK 22-2082
Datum uitspraak: 26 februari 2024
beschikking betreffende vaststelling omgangsregeling
in de zaak van
[de man]
, (hierna: de man),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. van Riel te Breda,
tegen
[de vrouw] , (hierna: de vrouw),
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. S. Kuit te Steenbergen, thans mr. M.T.E. Kranenburg te Roosendaal,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [plaats 1] op [geboortedag 1] 2017;
- [minderjarige 2], geboren te [plaats 1] op [geboortedag 2] 2019.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1Het nadere procesverloop
1.1
Het nadere procesverloop blijkt uit de navolgende stukken:
- de tussenbeschikking van 25 april 2023 en alle daarin opgenomen en genoemde stukken;
- de op 3 januari 2024 ontvangen Raadsrapportage van 22 december 2023.
1.2
De nadere mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 januari 2024. Bij die behandeling zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Tevens waren aanwezig de advocaat van de man en een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3
De man is, hoewel juist en tijdig opgeroepen, niet in persoon verschenen.
2De verdere beoordeling
2.1
Bij tussenbeschikking van 25 april 2023 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg is het verzoek van de man ten aanzien van het gezamenlijk gezag afgewezen en is het verzoek van de man ten aanzien van een omgangsregeling aangehouden, in afwachting van de nadere ontwikkelingen en de update daarover van de Raad. Daarnaast is bij deze beschikking bepaald dat er voorlopig sprake is van beeldbelcontacten tussen de man en de minderjarigen en dat er, zodra de man zijn emotie-regulatietraject heeft afgerond, begeleide omgang zal gaan plaatsvinden.
2.2
Op 3 januari 2024 is het rapport met bijbehorend advies van de Raad ontvangen. De Raad adviseert de rechtbank om geen fysieke omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen vast te leggen, maar enkel te bepalen dat er twee keer per week beeldbelcontacten tussen hen zullen plaatsvinden, te weten op woensdag en zaterdag om 16:00 uur. De Raad maakt zich nog steeds zorgen over de opvoedvaardigheden en de (on)mogelijkheden van de man om aan te sluiten bij de behoeftes en belangen van de minderjarigen. Daarbij komt dat de man zich de afgelopen periode, ondanks daartoe ruimschoots in de gelegenheid te zijn gesteld, onvoldoende heeft ingespannen voor de benodigde hulpverlening. Het ART-traject dat eerder vanwege de emotie- en agressieregulatie problematiek van de man noodzakelijk werd bevonden, is niet opgestart, de man heeft de adviezen uit het Raadsrapport van oktober 2022 niet opgevolgd en vindt psycho-educatie niet nodig. De Raad heeft er, mede gelet op de ambivalente houding van de man ten aanzien van hulpverlening in het verleden, geen vertrouwen in dat de man zich de komende tijd wel zal kunnen motiveren om zich in te zetten voor de hulpverlening. De Raad heeft daarnaast geconstateerd dat het contact tussen de man en de minderjarigen de afgelopen tijd is verslechterd. Er heeft sinds april 2023 geen fysiek contact meer plaatsgevonden en het beeldbellen verloopt regelmatig niet (geheel) volgens de afspraken. De Raad is verder van mening dat de man zich vooral op zijn eigen wensen richt en onvoldoende rekening houdt met de belangen van de minderjarigen. Zo toont de man onvoldoende bereidheid om naar de minderjarigen toe te komen, terwijl hij wel verwacht dat de minderjarigen drie uur op een dag in de auto spenderen om zich voor de omgang naar hem te verplaatsen. Er zijn hiernaast nog zorgen over mogelijk nieuwe criminele activiteiten van de man naar aanleiding van zijn verzoek om de omgang niet in de omgeving [plaats 2] te laten plaatsvinden vanwege zijn eigen veiligheid. De Raad vindt het evenwel belangrijk dat de minderjarigen zicht blijven houden op wie hun vader is en dat de man zicht houdt op hoe het met de minderjarigen gaat. De Raad geeft de man tot slot mee dat hij een nieuw verzoek voor een omgangsregeling kan indienen wanneer hij de benodigde emotie- en agressieregulatie training heeft afgerond en zich kan inzetten voor een traject begeleide omgang, zodat hij psycho-educatie kan ontvangen, er zicht komt op de manier waarop hij aan kan sluiten bij de minderjarigen en het proces tot contactherstel kan worden begeleid door professionals.
2.3
Thans ligt nog ter beoordeling voor het verzoek van de man om, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen in de oneven weken van vrijdag 18.00 uur tot de daarop volgende zondag 18.00 uur bij de man verblijven alsmede gedurende vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen te regelen waarbij het ophalen wordt gedaan door de ouder bij wie de kinderen op dat moment niet verblijven althans een zodanige in goede justitie te bepalen beslissing te nemen.
2.4
Ingevolge artikel 1:377a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de niet met het gezag belaste ouder het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van lid 2 van dat artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. De rechtbank ontzegt het recht op omgang ingevolge lid 3 van voornoemd artikel slechts indien:
- omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind,
- de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang,
- het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken,
- indien de omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
2.5
Tijdens de nadere mondelinge behandeling op 11 januari 2024 heeft de rechtbank het voornoemde advies van de Raad met de vrouw en haar advocaat en de advocaat van de man besproken. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgesproken dat de noodzaak van agressie- en emotieregulatie training en psycho-educatie voor de man de afgelopen jaren meermaals is vastgesteld, terwijl de man steeds excuses heeft waarom hij zich daar niet voor kan inzetten. De vrouw is daarom en gelet op de grote reisafstand tussen de man en de minderjarigen van mening dat het verzoek moet worden afgewezen. De man kan dan een nieuw verzoek indienen als de omstandigheden zijn gewijzigd. De vrouw vindt het verder prettig voor de minderjarigen als het beeldbellen voortaan op vaste momenten plaatsvindt, zodat daar rekening mee gehouden kan worden. Namens de man is aangegeven dat hij zich niet kan vinden in het advies van de Raad. De man vindt het niet in het belang van de minderjarigen om geen fysieke omgangsregeling vast te leggen. Hij begrijpt wel dat het overkomt alsof hij zich de afgelopen tijd onvoldoende heeft ingezet voor de hulpverlening, maar dat ligt niet aan hem, want hij was daar op sommige momenten vanwege zijn opleiding niet toe in de gelegenheid en de hulpverlening kwam de afspraken niet na.
Dictum
De rechtbank:
5.1
bepaalt dat de man en de minderjarigen in het kader van de omgang gerechtigd zijn tot twee beeldbelcontacten per week, te weten op woensdag om 18.00 uur en op zaterdag om 16.00 uur;
5.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2024 in tegenwoordigheid van mr. de Haas, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.