Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-04
ECLI:NL:RBZWB:2023:9663
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
5,940 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/410438 / JE RK 23-994
Datum uitspraak: 4 december 2023
Nadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2016 in [plaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. C. Pietsch te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.A. van Essen te Breda,
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven (tussen)beschikking van de kinderrechter van 30 juni 2023 en alle daarin genoemde stukken;
de e-mailberichten van de vader met bijlagen van 25 augustus 2023, 28 augustus 2023, 31 augustus 2023, 3 september 2023, 20 september 2023, 21 september 2023, 18 oktober 2023, 19 oktober 2023, 23 oktober 2023 en 26 oktober 2023;
de brief van de Raad van 6 november 2023.
1.2.
Op 28 november 2023 is de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
2De nadere beoordeling
De eerdere beschikking
2.1.
Bij voornoemde beschikking van 30 juni 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder, met ingang van 4 juli 2023 tot 4 januari 2024.
De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling. Daarbij heeft de kinderrechter overwogen dat het aan de GI is om vóór die mondelinge behandeling de kinderrechter schriftelijk nader te informeren over de actuele stand van zaken.
2.2.
Bij die beschikking heeft de kinderrechter ook de zus van [minderjarige] , [de zus] , onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de zus] bij de moeder met ingang van 4 juli 2023. [de zus] heeft op 7 augustus 2023 de meerderjarige leeftijd bereikt. Daardoor is de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de zus] van rechtswege op die datum geëindigd.
Het resterende verzoek
2.3.
Aan de beoordeling van de kinderrechter ligt nu nog voor het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder, voor de resterende periode met ingang van 4 januari 2024 tot 4 juli 2024, met uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
De mondelinge behandeling
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is door en namens de moeder aangevoerd dat de moeder zich tegen toewijzing van het resterende verzoek op zich niet verzet. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is nog nodig. Inmiddels is [minderjarige] aangemeld voor speltherapie. De moeder hoopt dat er afspraken kunnen worden gemaakt over het contact tussen de vader en [minderjarige] . Sinds de maatregelen op 30 juni 2023 zijn uitgesproken zijn er alleen in de zomervakantie enkele contacten tussen hen geweest. Er is op dit moment helemaal geen contact. In oktober jl. is de vader wel op school verschenen en wilde hij [minderjarige] meenemen.
De moeder vindt het lastig dat er nog sprake is van een machtiging tot uithuisplaatsing, temeer nu [minderjarige] al lange tijd bij haar woont. Op 21 december 2023 zal de mondelinge behandeling plaatsvinden van het verzoek van de moeder ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] en de kinderalimentatie. De moeder vreest dat als er geen machtiging tot uithuisplaatsing meer is, de vader [minderjarige] komt ophalen. Zij vindt het daarom een fijne gedachte dat de machtiging er (nog) is. Hoewel de vraag is of een machtiging tot uithuisplaatsing nog nodig is om het verblijf van [minderjarige] bij de moeder zeker te stellen, refereert de advocaat zich ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige] aan het oordeel van de kinderrechter.
2.5.
Namens de vader is naar voren gebracht dat er bij de vader sprake is van groot wantrouwen. Er zijn volgens hem een aantal zaken niet goed gegaan binnen de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Zo zou er een datalek zijn geweest. De vader heeft daarop meerdere klachten ingediend. De advocaat verzoekt namens de vader het resterende verzoek toe te wijzen voor een beperkte periode van vier maanden, zodat over drie maanden een nieuwe mondelinge behandeling kan plaatsvinden om zo de voortgang binnen de ondertoezichtstelling te bewaken. De vader meent dat er nog weinig gebeurd is.
2.6.
Van de zijde van de GI is te kennen gegeven dat de GI graag in gesprek wil komen met de vader en zijn advocaat. Het is eerder nog niet mogelijk gebleken de vader te spreken. [minderjarige] wil de vader graag zien. De vader kan contact met [minderjarige] hebben als hij dat een dag van tevoren aankondigt en het ook past binnen de agenda van de GI, maar hij heeft nog geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid. De GI wil hier graag met de vader en zijn advocaat naar kijken, evenals naar een traject voor het opstellen van een ouderschapsplan. Mocht het verzoek van de moeder tot vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] worden toegewezen, dan kan de machtiging tot uithuisplaatsing vervallen. De ondertoezichtstelling dient te worden gehandhaafd voor de resterende periode, nu de verdere hulpverlening nog moet starten.
2.7.
Door de vertegenwoordigster van de Raad is gesteld dat de Raad zijn resterende verzoek handhaaft. De Raad kan evenwel instemmen met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een beperkte periode.
Overwegingen
2.8.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat nog is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog ernstig bedreigd. De relatie van de ouders is heftig geweest. Als er contact tussen hen is, is er nog altijd sprake van een conflictueuze sfeer. De vader en [minderjarige] hebben geen structureel contact met elkaar. Er is op dit moment zelfs helemaal geen contact tussen hen. Er is ook geen zicht op of er op korte termijn contact kan ontstaan nu de vader niet duidelijk maakt wat hij hierin wil. [minderjarige] wil de vader graag zien, de moeder wil graag afspraken maken over contact tussen de vader en [minderjarige] en de GI wil graag met de vader en zijn advocaat in gesprek komen hierover. De kinderrechter verwacht niet dat dit in een vrijwillig kader van de grond komt. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het resterende verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] moet worden toegewezen voor de verzochte periode. De kinderrechter ziet geen aanleiding om deze periode te verkorten. In het belang van [minderjarige] spreekt de kinderrechter de verwachting uit dat in de komende periode afspraken kunnen worden gemaakt over contact tussen de vader en [minderjarige] , wat daarvoor nodig is en wat daarvoor van de ouders verwacht wordt. De kinderrechter vindt het goed om te zien dat de vader zich hierbij door een advocaat laat vertegenwoordigen. Het uiteindelijke doel is dat tot het opstellen van een ouderschapsplan kan worden gekomen. Dit alles zal nog de nodige tijd in beslag nemen. Daarnaast zal de speltherapie voor [minderjarige] starten.
2.9.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog noodzakelijk is (artikel 1:265b, eerste lid, BW). De kinderrechter ziet echter aanleiding om de duur van de machtiging te beperken tot vier maanden, zoals door de advocaat van de vader is voorgesteld. De mondelinge behandeling van het verzoek van de moeder ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] en de kinderalimentatie is op korte termijn gepland. De verwachting is dat in de komende periode een beslissing zal worden gegeven ten aanzien van in ieder geval het hoofdverblijf van [minderjarige] . Afhankelijk van die beslissing en de mogelijkheid van hoger beroep kan daarop zo nodig nog door de GI worden geanticipeerd.
Dictum
De kinderrechter:
3.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 4 januari 2024 tot 4 juli 2024;
3.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder, met ingang van 4 januari 2024 tot 4 mei 2024;
3.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2023 door mr. van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 15 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/410438 / JE RK 23-994
Datum uitspraak: 4 december 2023
Nadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2016 in [plaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. C. Pietsch te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. J.A. van Essen te Breda,
de gecertificeerde instelling
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen: de GI.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de in deze zaak gegeven (tussen)beschikking van de kinderrechter van 30 juni 2023 en alle daarin genoemde stukken;
de e-mailberichten van de vader met bijlagen van 25 augustus 2023, 28 augustus 2023, 31 augustus 2023, 3 september 2023, 20 september 2023, 21 september 2023, 18 oktober 2023, 19 oktober 2023, 23 oktober 2023 en 26 oktober 2023;
de brief van de Raad van 6 november 2023.
1.2.
Op 28 november 2023 is de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de advocaat van de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
2De nadere beoordeling
De eerdere beschikking
2.1.
Bij voornoemde beschikking van 30 juni 2023 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder, met ingang van 4 juli 2023 tot 4 januari 2024.
De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot een nader te bepalen mondelinge behandeling. Daarbij heeft de kinderrechter overwogen dat het aan de GI is om vóór die mondelinge behandeling de kinderrechter schriftelijk nader te informeren over de actuele stand van zaken.
2.2.
Bij die beschikking heeft de kinderrechter ook de zus van [minderjarige] , [de zus] , onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de zus] bij de moeder met ingang van 4 juli 2023. [de zus] heeft op 7 augustus 2023 de meerderjarige leeftijd bereikt. Daardoor is de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [de zus] van rechtswege op die datum geëindigd.
Het resterende verzoek
2.3.
Aan de beoordeling van de kinderrechter ligt nu nog voor het verzoek van de Raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder, voor de resterende periode met ingang van 4 januari 2024 tot 4 juli 2024, met uitvoerbaar bij voorraadverklaring.
De mondelinge behandeling
2.4.
Tijdens de mondelinge behandeling is door en namens de moeder aangevoerd dat de moeder zich tegen toewijzing van het resterende verzoek op zich niet verzet. Een verlenging van de ondertoezichtstelling is nog nodig. Inmiddels is [minderjarige] aangemeld voor speltherapie. De moeder hoopt dat er afspraken kunnen worden gemaakt over het contact tussen de vader en [minderjarige] . Sinds de maatregelen op 30 juni 2023 zijn uitgesproken zijn er alleen in de zomervakantie enkele contacten tussen hen geweest. Er is op dit moment helemaal geen contact. In oktober jl. is de vader wel op school verschenen en wilde hij [minderjarige] meenemen.
De moeder vindt het lastig dat er nog sprake is van een machtiging tot uithuisplaatsing, temeer nu [minderjarige] al lange tijd bij haar woont. Op 21 december 2023 zal de mondelinge behandeling plaatsvinden van het verzoek van de moeder ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] en de kinderalimentatie. De moeder vreest dat als er geen machtiging tot uithuisplaatsing meer is, de vader [minderjarige] komt ophalen. Zij vindt het daarom een fijne gedachte dat de machtiging er (nog) is. Hoewel de vraag is of een machtiging tot uithuisplaatsing nog nodig is om het verblijf van [minderjarige] bij de moeder zeker te stellen, refereert de advocaat zich ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige] aan het oordeel van de kinderrechter.
2.5.
Namens de vader is naar voren gebracht dat er bij de vader sprake is van groot wantrouwen. Er zijn volgens hem een aantal zaken niet goed gegaan binnen de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Zo zou er een datalek zijn geweest. De vader heeft daarop meerdere klachten ingediend. De advocaat verzoekt namens de vader het resterende verzoek toe te wijzen voor een beperkte periode van vier maanden, zodat over drie maanden een nieuwe mondelinge behandeling kan plaatsvinden om zo de voortgang binnen de ondertoezichtstelling te bewaken. De vader meent dat er nog weinig gebeurd is.
2.6.
Van de zijde van de GI is te kennen gegeven dat de GI graag in gesprek wil komen met de vader en zijn advocaat. Het is eerder nog niet mogelijk gebleken de vader te spreken. [minderjarige] wil de vader graag zien. De vader kan contact met [minderjarige] hebben als hij dat een dag van tevoren aankondigt en het ook past binnen de agenda van de GI, maar hij heeft nog geen gebruik gemaakt van die mogelijkheid. De GI wil hier graag met de vader en zijn advocaat naar kijken, evenals naar een traject voor het opstellen van een ouderschapsplan. Mocht het verzoek van de moeder tot vaststelling van het hoofdverblijf van [minderjarige] worden toegewezen, dan kan de machtiging tot uithuisplaatsing vervallen. De ondertoezichtstelling dient te worden gehandhaafd voor de resterende periode, nu de verdere hulpverlening nog moet starten.
2.7.
Door de vertegenwoordigster van de Raad is gesteld dat de Raad zijn resterende verzoek handhaaft. De Raad kan evenwel instemmen met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor een beperkte periode.
Overwegingen
2.8.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat nog is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog ernstig bedreigd. De relatie van de ouders is heftig geweest. Als er contact tussen hen is, is er nog altijd sprake van een conflictueuze sfeer. De vader en [minderjarige] hebben geen structureel contact met elkaar. Er is op dit moment zelfs helemaal geen contact tussen hen. Er is ook geen zicht op of er op korte termijn contact kan ontstaan nu de vader niet duidelijk maakt wat hij hierin wil. [minderjarige] wil de vader graag zien, de moeder wil graag afspraken maken over contact tussen de vader en [minderjarige] en de GI wil graag met de vader en zijn advocaat in gesprek komen hierover. De kinderrechter verwacht niet dat dit in een vrijwillig kader van de grond komt. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het resterende verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] moet worden toegewezen voor de verzochte periode. De kinderrechter ziet geen aanleiding om deze periode te verkorten. In het belang van [minderjarige] spreekt de kinderrechter de verwachting uit dat in de komende periode afspraken kunnen worden gemaakt over contact tussen de vader en [minderjarige] , wat daarvoor nodig is en wat daarvoor van de ouders verwacht wordt. De kinderrechter vindt het goed om te zien dat de vader zich hierbij door een advocaat laat vertegenwoordigen. Het uiteindelijke doel is dat tot het opstellen van een ouderschapsplan kan worden gekomen. Dit alles zal nog de nodige tijd in beslag nemen. Daarnaast zal de speltherapie voor [minderjarige] starten.
2.9.
Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog noodzakelijk is (artikel 1:265b, eerste lid, BW). De kinderrechter ziet echter aanleiding om de duur van de machtiging te beperken tot vier maanden, zoals door de advocaat van de vader is voorgesteld. De mondelinge behandeling van het verzoek van de moeder ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige] en de kinderalimentatie is op korte termijn gepland. De verwachting is dat in de komende periode een beslissing zal worden gegeven ten aanzien van in ieder geval het hoofdverblijf van [minderjarige] . Afhankelijk van die beslissing en de mogelijkheid van hoger beroep kan daarop zo nodig nog door de GI worden geanticipeerd.
Dictum
De kinderrechter:
3.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 4 januari 2024 tot 4 juli 2024;
3.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder, met ingang van 4 januari 2024 tot 4 mei 2024;
3.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2023 door mr. van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van Dekkers als griffier, en op schrift gesteld op 15 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.