Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-06-30
ECLI:NL:RBZWB:2023:9662
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
8,902 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/410438 / JE RK 23-994
Datum uitspraak: 30 juni 2023
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NL,
locatie Eindhoven, hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2005 te [plaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [plaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. C. Pietsch, te Breda,
[de (stief)vader] ,
hierna te noemen: de (stief)vader,
wonende op een geheim adres,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: GI,
gevestigd te Etten-Leur.
Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het gewijzigde verzoek van de Raad van 20 juni 2023, ingekomen bij de griffie op 20 juni 2023;
- de onderbouwing van het verzoek van de Raad van 26 juni 2023.
Op 29 juni 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:- de (stief)vader;- de moeder, bijgestaan door mr. C. Pietsch;- een vertegenwoordigster van de Raad;- een vertegenwoordiger van de GI.
Voorts is bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van een kantoorgenote van mr. Pietsch en een medewerkster van de Raad.
De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of tijdens een gesprek met de kinderrechter haar mening kenbaar te maken, maar zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Feiten
De (stief)vader is de biologische vader van [minderjarige 2] , maar hij is niet de biologische vader van [minderjarige 1] .
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gezamenlijk uitgeoefend door de moeder en de (stief)vader.
Bij de in beide zaken afzonderlijk gegeven beschikkingen van 4 april 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 4 april 2023 tot 18 april 2023. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag verleend, met ingang van 4 april 2023 tot 18 april 2023. Deze beslissingen zijn gegeven zonder daaraan voorafgaand horen van partijen. Bij beschikking van 14 april 2023 zijn voornoemde maatregelen na het horen van partijen verlengd tot 4 juli 2023.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven met hun (half)broertje [(half)broertje] bij de moeder.
Het verzoek
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de duur van een jaar en voor [minderjarige 1] tot aan haar meerderjarigheid. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder voor de duur van de ondertoezichtstelling en voor [minderjarige 1] tot aan haar meerderjarigheid.
Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad schriftelijk en mondeling – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat zij getuigen zijn geweest van hoogoplopende spanningen tussen de moeder en de (stief)vader, waarbij deze spanningen er nu nog steeds zijn sinds ouders uit elkaar zijn. Er is sprake van een groot verschil in visie tussen ouders, waarbij zij geen overeenstemming kunnen bereiken in afspraken over de kinderen, wat er nodig is voor hen en welke omgangsregeling passend is tussen [minderjarige 2] en haar vader. Gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling zijn de zorgen niet afgenomen en zijn deze juist toegenomen, omdat het contact tussen [minderjarige 2] en de vader tijdelijk gestopt is. De Raad maakt zich zorgen over de in hevigheid toenemende (beledigende) uitspraken van de (stief)vader, naar zowel de moeder als de hulpverlening. Daarbij heeft de Raad zorgen over het gedrag van de (stief)vader, doordat hij instanties bestookt met e-mails waarin hij zich dreigend en eisend opstelt.
De ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op dit moment onvoldoende bereid en in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren, doordat de (stief)vader de strijd aangaat met betrokken professionals zoals de GI, Veilig Thuis en de Raad. Doordat er momenteel alleen samenwerking is tussen [hulpverlening] en de vader en deze hulp te licht bevonden wordt om de zorgen weg te nemen, ziet de Raad geen mogelijkheden om de zorgen in een vrijwillig kader op te lossen.
De Raad acht het in het belang van [minderjarige 1] dat zij, ook al is het voor korte duur, onder toezicht gesteld wordt. [minderjarige 1] is een kwetsbaar meisje. Vóór haar meerderjarigheid moeten er een aantal dingen geregeld worden en het is momenteel lastig communiceren met de (stief)vader met gezag. De gezinsvoogd heeft dan toch nog een maand de tijd om een en ander voor [minderjarige 1] op de rails te krijgen. Voor [(half)broertje] geldt dat er ook sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. In tegenstelling tot de andere kinderen geldt echter dat de moeder alleen het gezag over hem heeft en zij meewerkt aan de hulpverlening. In die zin is er dus voor [(half)broertje] geen noodzaak voor een ondertoezichtstelling. Dit is anders voor de twee andere kinderen. De ouders zijn bovendien niet in staat om een ouderschapsplan te maken waarin zij afspraken maken over het hoofdverblijf. Om het verblijf bij de moeder te waarborgen is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig.
Het standpunt van de belanghebbenden
Namens en door de moeder is – kort samengevat – het volgende standpunt ingenomen. Het bevreemdt de moeder dat de verzoeken alleen over het jongste en het oudste kind gaan, terwijl voor [(half)broertje] dezelfde situatie geldt. Weliswaar heeft de moeder over [(half)broertje] alleen het gezag, maar er zijn blijkbaar geen zorgen over zijn veiligheid. Waarom er dan wel zorgen zijn over de andere kinderen kan de moeder niet volgen. Het verzoek om een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] dient te worden afgewezen, aangezien zij over een paar weken meerderjarig is. In die periode kunnen de doelen niet worden behaald, dus heeft een ondertoezichtstelling geen meerwaarde voor haar. Voorts is de grond voor het verzoek om een uithuisplaatsing mager. De kinderen verblijven bij de moeder. De vader is het er niet mee eens. De kinderen zijn echter veilig bij de moeder. Alleen zorgen over de veiligheid is onvoldoende grond voor een uithuisplaatsing bij de moeder. Ten aanzien van [minderjarige 2] verzoekt de moeder primair om de ondertoezichtstelling voor de duur van vier weken te verlenen zodat de GI een rapport kan opmaken waarin wordt beschreven wat er door de GI is gedaan en wat er nog dient te gebeuren. Subsidiair verzoekt de moeder om de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden te verlenen en het restant aan te houden. Namens de moeder zal een procedure gestart worden voor een wijziging hoofdverblijf en een omgangsregeling.
De (stief)vader heeft – kort samengevat – het volgende standpunt ingenomen. De (stief)vader kan zich vinden in een ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden. De (stief)vader heeft dan de tijd om aan te tonen dat de wijze van onderzoek door de Raad niet correct is geweest. De (stief)vader heeft tijdens de mondelinge behandeling schriftelijke stukken overgelegd, waarnaar hij verwijst ter bevestiging van zijn standpunt. De (stief)vader stelt dat er in eerste instantie tegen hem is gelogen over het melden van zorgen over zijn psychische gesteldheid. Na een verzoek op grond van de AVG is zwart op wit gebleken dat dit wel degelijk is benoemd, ook in de onderbouwing. De vader laat zich adviseren door mensen die in het proces zitten van wetgeving en zij hebben ook gezegd dat deze wijze van handelen niet klopt. Op grond daarvan heeft de (stiefvader) aan de bewuste raadsonderzoeker verzocht om zich terug te trekken. Ook toen is weer geprobeerd te liegen. De (stief)vader wil in de komende periode een second opinion laten uitvoeren. Ten aanzien van [minderjarige 1] wil de (stief)vader geen gezag meer. Hij wenst dat het gezag per direct stopt. Dan is er ook een punt minder voor potentiële conflicten. Voorlopig is de (stief)vader er mee akkoord dat [minderjarige 2] bij de moeder verblijft.
Namens de GI is, samengevat, aangegeven dat het schadelijk is dat de kinderen betrokken zijn geweest bij huiselijk geweld. De maatregelen zijn nodig om te zorgen dat de kinderen uit die schadelijke situatie worden weggehaald. De gezinsvoogd probeert beide ouders te betrekken bij het oplossen van de problemen. De moeder is bereikbaar en werkt mee. Er moeten nog een aantal dingen worden geregeld. De gemeente is benaderd om de moeder thuis te ondersteunen. Met de vader kan de GI onvoldoende contact krijgen om veiligheidsafspraken te maken rondom de kinderen en de hulpverlening. De gezinsvoogd is daarbij via e-mail bedreigd. Als met een machtiging tot uithuisplaatsing de bescherming voor de kinderen geoptimaliseerd wordt dan is dat goed. De GI maakt zich overigens ook zorgen over [(half)broertje] .
Beoordeling
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het BW. De concrete ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betreffen de conflicten tussen de ouders. Hierdoor is hulpverlening in het vrijwillig kader niet mogelijk. Er is momenteel ook geen contact tussen [minderjarige 2] en haar vader. Weliswaar wenst de (stief)vader het gezag over [minderjarige 1] niet langer uit te oefenen, maar formeel is zijn toestemming nog wel nodig bij belangrijke beslissingen in haar leven. Nu de ouders niet in staat zijn om samen een gesprek aan te gaan om afspraken te maken over de kinderen is een ondertoezichtstelling voor beide kinderen nodig, ook al betreft dat voor [minderjarige 1] nog maar een korte periode. Het is nodig dat een gezinsvoogd niet alleen de belangen van [minderjarige 2] in het oog houdt, maar ook de belangen van [minderjarige 1] .
Tijdens de ondertoezichtstelling dient aan de volgende doelen door de ouders en de GI te worden gewerkt:
Ouders communiceren neutraal/coöperatief met elkaar; zij strijden niet met elkaar, kunnen constructief met elkaar overleggen en afspraken maken en praten niet negatief over elkaar naar-, of in het bijzijn van de kinderen.
De kinderen groeien op in een veilige opvoedomgeving; een voldoende hygiënisch en opgeruimd huis, waarin zij passende regels en grenzen aangeboden krijgen.
De kinderen kunnen ingrijpende gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt verwerken; waar nodig krijgen zij (trauma)behandeling.
[minderjarige 2] heeft onbelast contact met allebei haar ouders; ze kan allebei haar ouders zien zonder het gevoel te krijgen dat ze tussen haar ouders moet kiezen en het is duidelijk wanneer zij welke ouder zal zien.
Er is duidelijkheid over de rol die (stief)vader in het leven van [minderjarige 1] zal spelen.
[minderjarige 1] ontwikkelt zich in haar zelfstandigheid en een (positiever) zelfbeeld en de nodige zaken voor haar 18e verjaardag zijn geregeld.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b (BW). Mede in het licht van de conflicten tussen de ouders is de kinderrechter van oordeel dat het voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] van belang is dat er geen onduidelijkheid gaat ontstaan over hun verblijfplaats. Zij hebben inmiddels al veel meegemaakt en rust is in hun belang. Om dat te waarborgen is een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder noodzakelijk.
Gelet op de huidige problematiek en alle hulpverlening die nog moet worden ingezet, is er geen aanleiding om de maatregelen voor de duur van vier weken te verlenen, zoals door de advocaat van de moeder is bepleit. De kinderrechter ziet wel aanleiding om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 2] te beperken voor de duur van zes maanden zodat over zes maanden bezien kan worden wat de actuele stand van zaken is. De kinderrechter hoopt dat het ouders in de komende periode gaat lukken om met behulp van de hulpverlening beter samen te communiceren en dat er goede afspraken kunnen worden gemaakt over [minderjarige 2] . Het restant van de verzoeken zal worden aangehouden tot een nader te bepalen datum. Het is aan de GI om vóór de nog te plannen mondelinge behandeling de kinderrechter schriftelijk nader te informeren over de actuele stand van zaken.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. Dit betekent dat de kinderrechter als volgt beslist.
De kinderrechter beslist als volgt.
Dictum
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van
4 juli 2023 tot aan haar meerderjarigheid;
stelt [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van
4 juli 2023 tot 4 januari 2024;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder, met ingang van 4 juli 2023 tot aan haar meerderjarigheid;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder, met ingang van 4 juli 2023 tot 4 januari 2024;
houdt de behandeling van het verzoek om een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] voor het overige aan tot een nader te bepalen mondelinge behandeling, gelegen vóór 21 december 2023, tegen welke mondelinge behandeling de Raad, de GI, de vader en de moeder met haar advocaat dienen te worden opgeroepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven door mr. Hamburger en in het openbaar uitgesproken op
30 juni 2023, in aanwezigheid van Vermare als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/410438 / JE RK 23-994
Datum uitspraak: 30 juni 2023
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NL,
locatie Eindhoven, hierna te noemen: de Raad,
betreffende
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2005 te [plaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2016 te [plaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. C. Pietsch, te Breda,
[de (stief)vader] ,
hierna te noemen: de (stief)vader,
wonende op een geheim adres,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: GI,
gevestigd te Etten-Leur.
Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het gewijzigde verzoek van de Raad van 20 juni 2023, ingekomen bij de griffie op 20 juni 2023;
- de onderbouwing van het verzoek van de Raad van 26 juni 2023.
Op 29 juni 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:- de (stief)vader;- de moeder, bijgestaan door mr. C. Pietsch;- een vertegenwoordigster van de Raad;- een vertegenwoordiger van de GI.
Voorts is bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van een kantoorgenote van mr. Pietsch en een medewerkster van de Raad.
De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld om schriftelijk of tijdens een gesprek met de kinderrechter haar mening kenbaar te maken, maar zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
Feiten
De (stief)vader is de biologische vader van [minderjarige 2] , maar hij is niet de biologische vader van [minderjarige 1] .
Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt gezamenlijk uitgeoefend door de moeder en de (stief)vader.
Bij de in beide zaken afzonderlijk gegeven beschikkingen van 4 april 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 4 april 2023 tot 18 april 2023. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder met gezag verleend, met ingang van 4 april 2023 tot 18 april 2023. Deze beslissingen zijn gegeven zonder daaraan voorafgaand horen van partijen. Bij beschikking van 14 april 2023 zijn voornoemde maatregelen na het horen van partijen verlengd tot 4 juli 2023.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven met hun (half)broertje [(half)broertje] bij de moeder.
Het verzoek
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de duur van een jaar en voor [minderjarige 1] tot aan haar meerderjarigheid. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder voor de duur van de ondertoezichtstelling en voor [minderjarige 1] tot aan haar meerderjarigheid.
Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de Raad schriftelijk en mondeling – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat zij getuigen zijn geweest van hoogoplopende spanningen tussen de moeder en de (stief)vader, waarbij deze spanningen er nu nog steeds zijn sinds ouders uit elkaar zijn. Er is sprake van een groot verschil in visie tussen ouders, waarbij zij geen overeenstemming kunnen bereiken in afspraken over de kinderen, wat er nodig is voor hen en welke omgangsregeling passend is tussen [minderjarige 2] en haar vader. Gedurende de voorlopige ondertoezichtstelling zijn de zorgen niet afgenomen en zijn deze juist toegenomen, omdat het contact tussen [minderjarige 2] en de vader tijdelijk gestopt is. De Raad maakt zich zorgen over de in hevigheid toenemende (beledigende) uitspraken van de (stief)vader, naar zowel de moeder als de hulpverlening. Daarbij heeft de Raad zorgen over het gedrag van de (stief)vader, doordat hij instanties bestookt met e-mails waarin hij zich dreigend en eisend opstelt.
De ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op dit moment onvoldoende bereid en in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren, doordat de (stief)vader de strijd aangaat met betrokken professionals zoals de GI, Veilig Thuis en de Raad. Doordat er momenteel alleen samenwerking is tussen [hulpverlening] en de vader en deze hulp te licht bevonden wordt om de zorgen weg te nemen, ziet de Raad geen mogelijkheden om de zorgen in een vrijwillig kader op te lossen.
De Raad acht het in het belang van [minderjarige 1] dat zij, ook al is het voor korte duur, onder toezicht gesteld wordt. [minderjarige 1] is een kwetsbaar meisje. Vóór haar meerderjarigheid moeten er een aantal dingen geregeld worden en het is momenteel lastig communiceren met de (stief)vader met gezag. De gezinsvoogd heeft dan toch nog een maand de tijd om een en ander voor [minderjarige 1] op de rails te krijgen. Voor [(half)broertje] geldt dat er ook sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. In tegenstelling tot de andere kinderen geldt echter dat de moeder alleen het gezag over hem heeft en zij meewerkt aan de hulpverlening. In die zin is er dus voor [(half)broertje] geen noodzaak voor een ondertoezichtstelling. Dit is anders voor de twee andere kinderen. De ouders zijn bovendien niet in staat om een ouderschapsplan te maken waarin zij afspraken maken over het hoofdverblijf. Om het verblijf bij de moeder te waarborgen is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig.
Het standpunt van de belanghebbenden
Namens en door de moeder is – kort samengevat – het volgende standpunt ingenomen. Het bevreemdt de moeder dat de verzoeken alleen over het jongste en het oudste kind gaan, terwijl voor [(half)broertje] dezelfde situatie geldt. Weliswaar heeft de moeder over [(half)broertje] alleen het gezag, maar er zijn blijkbaar geen zorgen over zijn veiligheid. Waarom er dan wel zorgen zijn over de andere kinderen kan de moeder niet volgen. Het verzoek om een ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] dient te worden afgewezen, aangezien zij over een paar weken meerderjarig is. In die periode kunnen de doelen niet worden behaald, dus heeft een ondertoezichtstelling geen meerwaarde voor haar. Voorts is de grond voor het verzoek om een uithuisplaatsing mager. De kinderen verblijven bij de moeder. De vader is het er niet mee eens. De kinderen zijn echter veilig bij de moeder. Alleen zorgen over de veiligheid is onvoldoende grond voor een uithuisplaatsing bij de moeder. Ten aanzien van [minderjarige 2] verzoekt de moeder primair om de ondertoezichtstelling voor de duur van vier weken te verlenen zodat de GI een rapport kan opmaken waarin wordt beschreven wat er door de GI is gedaan en wat er nog dient te gebeuren. Subsidiair verzoekt de moeder om de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden te verlenen en het restant aan te houden. Namens de moeder zal een procedure gestart worden voor een wijziging hoofdverblijf en een omgangsregeling.
De (stief)vader heeft – kort samengevat – het volgende standpunt ingenomen. De (stief)vader kan zich vinden in een ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de duur van zes maanden. De (stief)vader heeft dan de tijd om aan te tonen dat de wijze van onderzoek door de Raad niet correct is geweest. De (stief)vader heeft tijdens de mondelinge behandeling schriftelijke stukken overgelegd, waarnaar hij verwijst ter bevestiging van zijn standpunt. De (stief)vader stelt dat er in eerste instantie tegen hem is gelogen over het melden van zorgen over zijn psychische gesteldheid. Na een verzoek op grond van de AVG is zwart op wit gebleken dat dit wel degelijk is benoemd, ook in de onderbouwing. De vader laat zich adviseren door mensen die in het proces zitten van wetgeving en zij hebben ook gezegd dat deze wijze van handelen niet klopt. Op grond daarvan heeft de (stiefvader) aan de bewuste raadsonderzoeker verzocht om zich terug te trekken. Ook toen is weer geprobeerd te liegen. De (stief)vader wil in de komende periode een second opinion laten uitvoeren. Ten aanzien van [minderjarige 1] wil de (stief)vader geen gezag meer. Hij wenst dat het gezag per direct stopt. Dan is er ook een punt minder voor potentiële conflicten. Voorlopig is de (stief)vader er mee akkoord dat [minderjarige 2] bij de moeder verblijft.
Namens de GI is, samengevat, aangegeven dat het schadelijk is dat de kinderen betrokken zijn geweest bij huiselijk geweld. De maatregelen zijn nodig om te zorgen dat de kinderen uit die schadelijke situatie worden weggehaald. De gezinsvoogd probeert beide ouders te betrekken bij het oplossen van de problemen. De moeder is bereikbaar en werkt mee. Er moeten nog een aantal dingen worden geregeld. De gemeente is benaderd om de moeder thuis te ondersteunen. Met de vader kan de GI onvoldoende contact krijgen om veiligheidsafspraken te maken rondom de kinderen en de hulpverlening. De gezinsvoogd is daarbij via e-mail bedreigd. Als met een machtiging tot uithuisplaatsing de bescherming voor de kinderen geoptimaliseerd wordt dan is dat goed. De GI maakt zich overigens ook zorgen over [(half)broertje] .
Beoordeling
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het BW. De concrete ernstige bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betreffen de conflicten tussen de ouders. Hierdoor is hulpverlening in het vrijwillig kader niet mogelijk. Er is momenteel ook geen contact tussen [minderjarige 2] en haar vader. Weliswaar wenst de (stief)vader het gezag over [minderjarige 1] niet langer uit te oefenen, maar formeel is zijn toestemming nog wel nodig bij belangrijke beslissingen in haar leven. Nu de ouders niet in staat zijn om samen een gesprek aan te gaan om afspraken te maken over de kinderen is een ondertoezichtstelling voor beide kinderen nodig, ook al betreft dat voor [minderjarige 1] nog maar een korte periode. Het is nodig dat een gezinsvoogd niet alleen de belangen van [minderjarige 2] in het oog houdt, maar ook de belangen van [minderjarige 1] .
Tijdens de ondertoezichtstelling dient aan de volgende doelen door de ouders en de GI te worden gewerkt:
Ouders communiceren neutraal/coöperatief met elkaar; zij strijden niet met elkaar, kunnen constructief met elkaar overleggen en afspraken maken en praten niet negatief over elkaar naar-, of in het bijzijn van de kinderen.
De kinderen groeien op in een veilige opvoedomgeving; een voldoende hygiënisch en opgeruimd huis, waarin zij passende regels en grenzen aangeboden krijgen.
De kinderen kunnen ingrijpende gebeurtenissen die zij hebben meegemaakt verwerken; waar nodig krijgen zij (trauma)behandeling.
[minderjarige 2] heeft onbelast contact met allebei haar ouders; ze kan allebei haar ouders zien zonder het gevoel te krijgen dat ze tussen haar ouders moet kiezen en het is duidelijk wanneer zij welke ouder zal zien.
Er is duidelijkheid over de rol die (stief)vader in het leven van [minderjarige 1] zal spelen.
[minderjarige 1] ontwikkelt zich in haar zelfstandigheid en een (positiever) zelfbeeld en de nodige zaken voor haar 18e verjaardag zijn geregeld.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b (BW). Mede in het licht van de conflicten tussen de ouders is de kinderrechter van oordeel dat het voor zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] van belang is dat er geen onduidelijkheid gaat ontstaan over hun verblijfplaats. Zij hebben inmiddels al veel meegemaakt en rust is in hun belang. Om dat te waarborgen is een machtiging tot uithuisplaatsing bij de moeder noodzakelijk.
Gelet op de huidige problematiek en alle hulpverlening die nog moet worden ingezet, is er geen aanleiding om de maatregelen voor de duur van vier weken te verlenen, zoals door de advocaat van de moeder is bepleit. De kinderrechter ziet wel aanleiding om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor [minderjarige 2] te beperken voor de duur van zes maanden zodat over zes maanden bezien kan worden wat de actuele stand van zaken is. De kinderrechter hoopt dat het ouders in de komende periode gaat lukken om met behulp van de hulpverlening beter samen te communiceren en dat er goede afspraken kunnen worden gemaakt over [minderjarige 2] . Het restant van de verzoeken zal worden aangehouden tot een nader te bepalen datum. Het is aan de GI om vóór de nog te plannen mondelinge behandeling de kinderrechter schriftelijk nader te informeren over de actuele stand van zaken.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing. Dit betekent dat de kinderrechter als volgt beslist.
De kinderrechter beslist als volgt.
Dictum
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van
4 juli 2023 tot aan haar meerderjarigheid;
stelt [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van
4 juli 2023 tot 4 januari 2024;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder, met ingang van 4 juli 2023 tot aan haar meerderjarigheid;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de andere gezaghebbende ouder, te weten de moeder, met ingang van 4 juli 2023 tot 4 januari 2024;
houdt de behandeling van het verzoek om een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] voor het overige aan tot een nader te bepalen mondelinge behandeling, gelegen vóór 21 december 2023, tegen welke mondelinge behandeling de Raad, de GI, de vader en de moeder met haar advocaat dienen te worden opgeroepen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven door mr. Hamburger en in het openbaar uitgesproken op
30 juni 2023, in aanwezigheid van Vermare als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.