Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-09
ECLI:NL:RBZWB:2023:9575
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
9,684 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie: Breda
Zaaknummers: C/02/407492 / JE RK 23-467 (verlenging ondertoezichtstelling)
C/02/412606 / JE RK 23-1403 (machtiging tot uithuisplaatsing)
C/02/413922 / JE RK 23-1644 (verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
Data uitspraak: 9 oktober 2023 (ondertoezichtstelling)
23 oktober 2023 (machtiging tot uithuisplaatsing)
23 oktober 2023 (verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en (een verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. V.C. Andeweg te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.W.M. van Asseldonk te Veghel.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren.
1Het (nadere) verloop van de procedure
1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de kinderrechter van 21 april 2023 in de zaak met zaaknummer C/02/407492 / JE RK 23-467 en alle daarin vermelde stukken;
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 21 juli 2023 in de zaak met zaaknummer C/02/412606 / JE RK 23-1403, binnengekomen bij de rechtbank op 21 juli 2023;
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 11 september 2023 in de zaak met zaaknummer C/02/413922 / JE RK 23-1644, binnengekomen bij de rechtbank op13 september 2023;
- de brief met bijlagen van mr. Van Asseldonk van 3 oktober 2023;
- het e-mailbericht met bijlagen van mr. Andeweg van 3 oktober 2023.
1.2
Gelet op de nauwe samenhang tussen de zaken heeft de kinderrechter de zaken op9 oktober 2023 gelijktijdig mondeling behandeld met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- een vertegenwoordiger van de GI,
- een vertegenwoordigster van de Raad.
Feiten
2.1
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
Bij beschikking van 21 april 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 2 mei 2023 tot 2 november 2023 (C/02/407492 /JE RK 23-467). De behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is aangehouden tot 3 oktober 2023 pro forma. [minderjarige] woonde op dat moment bij de moeder.
2.3
Bij beschikking van 25 april 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 april 2023 tot 9 mei 2023. Bij opvolgende beschikking van 4 mei 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 9 mei 2023 tot 2 november 2023. Op basis van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [minderjarige] sinds 25 april 2023 in een neutraal pleeggezin.
2.4
Bij verzoekschrift van 21 juli 2023 heeft de GI verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen bij de vader (met gezag) voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad (C/02/412606 / JE RK 23-1403).
2.5
Bij verzoekschrift van 11 september 2023 heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader (met gezag) te verlengen vanaf 2 november 2023 voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad (C/02/413922 / JE RK 23-1644).
3De verzoeken
C/02/407492 /JE RK 23-467 (verlenging ondertoezichtstelling)
3.1
Ter beoordeling ligt voor het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van 2 november 2023 tot 2 mei 2024.
C/02/412606 / JE RK 23-1403 (machtiging tot uithuisplaatsing)
3.2
Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] die loopt tot 2 november 2023.
C/02/413922 / JE RK 23-1644 (verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
3.3
Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 2 november 2023 tot 2 mei 2024.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI haar verzoek aangevuld, in die zin dat de GI verzoekt een (voorwaardelijke) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen met ingang van 2 november 2023 tot 2 mei 2024 in het geval dat het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 2 november 2023 zou worden afgewezen.
4De standpunten
4.1
De vader stemt in met de verzoeken van de GI. Volgens de vader wordt aan het wettelijk criterium voor een ondertoezichtstelling nog steeds voldaan en hij acht zich in staat de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen.
4.2
De moeder voert verweer tegen de verzoeken van de GI. Volgens de moeder heeft een ondertoezichtstelling van [minderjarige] geen meerwaarde (meer) en is de opvoedsituatie bij de moeder voldoende stabiel en veilig om [minderjarige] weer bij haar terug te plaatsen.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 van het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Overwegingen
5.2
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] in de afgelopen twee jaren meerdere woonplekken heeft gehad. Zo heeft [minderjarige] eerder verbleven bij een zus van de vader. In oktober 2022 is [minderjarige] teruggeplaatst bij de moeder, waarna zij eind april 2023 is geplaatst in een neutraal pleeggezin. Bij beschikking van 12 januari 2023 is het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader afgewezen. Nu wordt door de GI (wederom) verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor een plaatsing van [minderjarige] bij de vader.
5.3
In de laatste beschikking van 4 mei 2023, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg is verlengd met ingang van 9 mei 2023 tot
2 november 2023, is overwogen dat de GI in de komende periode dient in te zetten op een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Indien een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet mogelijk blijkt te zijn, dient de GI de (on)mogelijkheden te onderzoeken voor een plaatsing van [minderjarige] bij de vader.
5.4
De kinderrechter stelt op basis van de voorliggende stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd vast dat de GI geen uitvoering heeft gegeven aan bovenvermelde opdracht. Niet is gebleken dat door de GI in de afgelopen maanden is onderzocht in hoeverre een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder mogelijk is. Dit terwijl de vertegenwoordiger van GI, tevens de betrokken jeugdzorgwerker, tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat wanneer de moeder in ‘goede doen’ is, zij de zorg en opvoeding van [minderjarige] kan dragen. Het had dan ook op de weg van de GI gelegen om te onderzoeken wat de moeder nodig heeft om in ‘goede doen’ te blijven en om hiervoor, waar nodig en in goed overleg met de moeder, hulpverlening in te zetten. Dit klemt temeer nu door de jeugdzorgwerker ook is aangegeven dat de begeleide omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] positief verlopen en dat de moeder goed weet aan te sluiten bij [minderjarige] . Dit maakt voorts dat de kinderrechter het standpunt van de GI dat een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet tot de mogelijkheden behoort, te voorbarig acht. Aan dit standpunt ligt geen nader onderzoek ten grondslag anders dan een door de GI getrokken conclusie dat bij de moeder sprake is van een terugkerend patroon van onrust op grond waarvan het niet in het belang van [minderjarige] is om bij de moeder op te groeien.
5.5
Volgens de GI is de vader, in tegenstelling tot de moeder, wel voldoende in staat de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen als hoofdopvoeder. Daarbij wordt door de GI verwezen naar de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader, die ontspannen verlopen. Dit wordt bevestigd door het pleeggezin waar [minderjarige] op dit moment verblijft. Hoewel dit de kinderrechter positief stemt, neemt de kinderrechter in haar oordeel mee dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] tot op heden heeft plaatsgevonden in de weekenden en de vakanties, waarbij geen verplichtingen voor zowel de vader als [minderjarige] gelden zoals onder andere school, hobby’s en tandarts- en/of huisartsenbezoeken dat de nodige organisatie met zich meebrengt. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zijn zus, de tante waar [minderjarige] eerder heeft verbleven, hem doordeweeks ondersteuning zal bieden bij het wegbrengen en ophalen van school van [minderjarige] en [minderjarige] deels zal opvangen na school totdat hij thuis is van zijn werk. Hieruit leidt de kinderrechter af dat de tante in geval van een plaatsing van [minderjarige] bij de vader een grote rol zal spelen in de zorg en opvoeding van [minderjarige] doordeweeks, maar niet is gebleken dat de GI hiernaar onderzoek heeft gedaan en samen met de vader en de tante goede afspraken heeft gemaakt over de verdeling van de zorg en opvoeding van [minderjarige] en hoe te handelen wanneer zich in de samenwerking tussen de vader en de tante moeilijkheden zouden voordoen. Evenmin is gebleken dat met de vader en de tante is besproken hoe zij naar de rol van de moeder in het leven van [minderjarige] kijken en hoe door hen invulling gegeven gaat worden aan de communicatie met de moeder mede gezien hun moeizame verstandhouding met de moeder. Daarnaast overweegt de kinderrechter dat zowel de GI als de vader hebben aangegeven dat de vader hulpverlening nodig heeft bij het invullen en uitoefenen van zijn opvoedersrol. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat deze hulpverlening pas zal worden opgestart op het moment dat [minderjarige] geplaatst is bij de vader. Hiermee bestaat het risico dat deze hulpverlening niet tijdig beschikbaar is voor de vader, terwijl deze hulpverlening juist noodzakelijk is om de vader te ondersteunen in zijn opvoedersrol en een eventuele overvraging van de vader te voorkomen. Met name omdat tot eind mei 2023 de vader herhaaldelijk heeft aangegeven de zorg van [minderjarige] niet op zich te kunnen nemen.
5.6
Op grond van dit alles plaatst de kinderrechter grote vraagtekens bij een plaatsing van [minderjarige] bij de vader op dit moment. Van een doordracht plan van de GI tot plaatsing van [minderjarige] bij de vader is de kinderrechter niet gebleken, terwijl [minderjarige] in de afgelopen twee jaren geconfronteerd is geweest met wisselende woonplekken. Dit heeft [minderjarige] enorm belast en veel van haar gevraagd. Zij heeft zich namelijk aan steeds wisselende woon- en opvoedsituaties moeten aanpassen en daarmee veel onstabiliteit in haar leven gehad, hetgeen haar ontwikkeling niet ten goede is gekomen. Er mag dan ook geen enkel risico worden genomen op verdere schade van haar ontwikkeling, waarbij de kinderrechter op basis van de huidige onzekerheden en onduidelijkheden een geslaagde plaatsing van [minderjarige] bij de vader op dit moment te onzeker en daarmee te risicovol acht.
5.7
Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat aan het wettelijk criterium van artikel 1:255 van het BW voor een ondertoezichtstelling van [minderjarige] nog altijd wordt voldaan. Alleen al de onduidelijkheid over het toekomstperspectief van [minderjarige] maakt dat [minderjarige] ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling. De ouders zijn onvoldoende in staat om zelfstandig deze ontwikkelingsbedreiging weg te nemen; de ouders verschillen namelijk van mening over de plek waar [minderjarige] tot aan haar volwassenheid dient op te groeien. Dit maakt de inzet van hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk ter waarborging van de belangen van [minderjarige] . Het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal dan ook worden toegewezen.
5.8
Het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling, die loopt tot 2 november 2023, zal worden afgewezen. Het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader per 2 november 2023 wordt aangehouden en het (voorwaardelijke) verzoek van de GI tot het verlengen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg per 2 november 2023 zal worden toegewezen tot 2 januari 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Daarbij overweegt de kinderrechter dat een plaatsing van [minderjarige] bij één van haar ouders op dit moment niet aan de orde is en daarom een voortzetting van de plaatsing van [minderjarige] in het huidige neutrale pleeggezin vooralsnog is aangewezen. De kinderrechter komt dan ook tot het oordeel dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (nog steeds) noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b van het BW.
Dictum
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 2 november 2023 tot2 mei 2024;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 2 november 2023 tot 2 januari 2024;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt aan de behandeling van:
- het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de periode van 2 januari 2024 tot 2 mei 2024,
- het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 2 november 2023 tot 2 mei 2024,
in afwachting van het verslag van de GI zoals weergegeven in de beoordeling onder 5.9;
verwijst de zaak naar de meervoudige kamer van het team Familie- en Jeugdrecht van de rechtbank Zeeland-West-Brabant;
bepaalt dat beide ouders en hun advocaten, de GI en de Raad zullen worden gehoord tijdens de mondelinge behandeling van de meervoudige kamer van het team Familie- en Jeugdrecht van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 november 2023 om 11.00 uur, welke mondelinge behandeling wordt gehouden in het gerechtsgebouw gevestigd te Breda, Stationslaan 10;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de beide ouders en hun advocaten, de GI en de Raad;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor;
wijst af het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] die loopt tot2 november 2023.
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling is deze beschikking, in het openbaar, tijdens de mondelinge behandeling van 9 oktober 2023 gegeven door mr. Benjaddi, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Snatersen, als griffier.
Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing is deze beschikking, in het openbaar, op 23 oktober 2023 gegeven door mr. Benjaddi, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Snatersen, als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie: Breda
Zaaknummers: C/02/407492 / JE RK 23-467 (verlenging ondertoezichtstelling)
C/02/412606 / JE RK 23-1403 (machtiging tot uithuisplaatsing)
C/02/413922 / JE RK 23-1644 (verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
Data uitspraak: 9 oktober 2023 (ondertoezichtstelling)
23 oktober 2023 (machtiging tot uithuisplaatsing)
23 oktober 2023 (verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en (een verlenging) machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),
gevestigd te Etten-Leur,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. V.C. Andeweg te Breda,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. M.W.M. van Asseldonk te Veghel.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren.
1Het (nadere) verloop van de procedure
1.1
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de kinderrechter van 21 april 2023 in de zaak met zaaknummer C/02/407492 / JE RK 23-467 en alle daarin vermelde stukken;
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 21 juli 2023 in de zaak met zaaknummer C/02/412606 / JE RK 23-1403, binnengekomen bij de rechtbank op 21 juli 2023;
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 11 september 2023 in de zaak met zaaknummer C/02/413922 / JE RK 23-1644, binnengekomen bij de rechtbank op13 september 2023;
- de brief met bijlagen van mr. Van Asseldonk van 3 oktober 2023;
- het e-mailbericht met bijlagen van mr. Andeweg van 3 oktober 2023.
1.2
Gelet op de nauwe samenhang tussen de zaken heeft de kinderrechter de zaken op9 oktober 2023 gelijktijdig mondeling behandeld met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- een vertegenwoordiger van de GI,
- een vertegenwoordigster van de Raad.
Feiten
2.1
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
Bij beschikking van 21 april 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 2 mei 2023 tot 2 november 2023 (C/02/407492 /JE RK 23-467). De behandeling van het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] is aangehouden tot 3 oktober 2023 pro forma. [minderjarige] woonde op dat moment bij de moeder.
2.3
Bij beschikking van 25 april 2023 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder of een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 25 april 2023 tot 9 mei 2023. Bij opvolgende beschikking van 4 mei 2023 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 9 mei 2023 tot 2 november 2023. Op basis van de verleende machtiging tot uithuisplaatsing verblijft [minderjarige] sinds 25 april 2023 in een neutraal pleeggezin.
2.4
Bij verzoekschrift van 21 juli 2023 heeft de GI verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen bij de vader (met gezag) voor de duur van de ondertoezichtstelling, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad (C/02/412606 / JE RK 23-1403).
2.5
Bij verzoekschrift van 11 september 2023 heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader (met gezag) te verlengen vanaf 2 november 2023 voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad (C/02/413922 / JE RK 23-1644).
3De verzoeken
C/02/407492 /JE RK 23-467 (verlenging ondertoezichtstelling)
3.1
Ter beoordeling ligt voor het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode van 2 november 2023 tot 2 mei 2024.
C/02/412606 / JE RK 23-1403 (machtiging tot uithuisplaatsing)
3.2
Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] die loopt tot 2 november 2023.
C/02/413922 / JE RK 23-1644 (verlenging machtiging tot uithuisplaatsing)
3.3
Ter beoordeling ligt voor het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 2 november 2023 tot 2 mei 2024.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI haar verzoek aangevuld, in die zin dat de GI verzoekt een (voorwaardelijke) machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen met ingang van 2 november 2023 tot 2 mei 2024 in het geval dat het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 2 november 2023 zou worden afgewezen.
4De standpunten
4.1
De vader stemt in met de verzoeken van de GI. Volgens de vader wordt aan het wettelijk criterium voor een ondertoezichtstelling nog steeds voldaan en hij acht zich in staat de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen.
4.2
De moeder voert verweer tegen de verzoeken van de GI. Volgens de moeder heeft een ondertoezichtstelling van [minderjarige] geen meerwaarde (meer) en is de opvoedsituatie bij de moeder voldoende stabiel en veilig om [minderjarige] weer bij haar terug te plaatsen.
Beoordeling
Wettelijk kader
5.1
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het BW, in staat zijn te dragen.
Op grond van artikel 1:260 van het BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, van het BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Overwegingen
5.2
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] in de afgelopen twee jaren meerdere woonplekken heeft gehad. Zo heeft [minderjarige] eerder verbleven bij een zus van de vader. In oktober 2022 is [minderjarige] teruggeplaatst bij de moeder, waarna zij eind april 2023 is geplaatst in een neutraal pleeggezin. Bij beschikking van 12 januari 2023 is het verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader afgewezen. Nu wordt door de GI (wederom) verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor een plaatsing van [minderjarige] bij de vader.
5.3
In de laatste beschikking van 4 mei 2023, waarin de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg is verlengd met ingang van 9 mei 2023 tot
2 november 2023, is overwogen dat de GI in de komende periode dient in te zetten op een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Indien een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet mogelijk blijkt te zijn, dient de GI de (on)mogelijkheden te onderzoeken voor een plaatsing van [minderjarige] bij de vader.
5.4
De kinderrechter stelt op basis van de voorliggende stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is aangevoerd vast dat de GI geen uitvoering heeft gegeven aan bovenvermelde opdracht. Niet is gebleken dat door de GI in de afgelopen maanden is onderzocht in hoeverre een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder mogelijk is. Dit terwijl de vertegenwoordiger van GI, tevens de betrokken jeugdzorgwerker, tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat wanneer de moeder in ‘goede doen’ is, zij de zorg en opvoeding van [minderjarige] kan dragen. Het had dan ook op de weg van de GI gelegen om te onderzoeken wat de moeder nodig heeft om in ‘goede doen’ te blijven en om hiervoor, waar nodig en in goed overleg met de moeder, hulpverlening in te zetten. Dit klemt temeer nu door de jeugdzorgwerker ook is aangegeven dat de begeleide omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] positief verlopen en dat de moeder goed weet aan te sluiten bij [minderjarige] . Dit maakt voorts dat de kinderrechter het standpunt van de GI dat een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet tot de mogelijkheden behoort, te voorbarig acht. Aan dit standpunt ligt geen nader onderzoek ten grondslag anders dan een door de GI getrokken conclusie dat bij de moeder sprake is van een terugkerend patroon van onrust op grond waarvan het niet in het belang van [minderjarige] is om bij de moeder op te groeien.
5.5
Volgens de GI is de vader, in tegenstelling tot de moeder, wel voldoende in staat de zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen als hoofdopvoeder. Daarbij wordt door de GI verwezen naar de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en de vader, die ontspannen verlopen. Dit wordt bevestigd door het pleeggezin waar [minderjarige] op dit moment verblijft. Hoewel dit de kinderrechter positief stemt, neemt de kinderrechter in haar oordeel mee dat de omgang tussen de vader en [minderjarige] tot op heden heeft plaatsgevonden in de weekenden en de vakanties, waarbij geen verplichtingen voor zowel de vader als [minderjarige] gelden zoals onder andere school, hobby’s en tandarts- en/of huisartsenbezoeken dat de nodige organisatie met zich meebrengt. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zijn zus, de tante waar [minderjarige] eerder heeft verbleven, hem doordeweeks ondersteuning zal bieden bij het wegbrengen en ophalen van school van [minderjarige] en [minderjarige] deels zal opvangen na school totdat hij thuis is van zijn werk. Hieruit leidt de kinderrechter af dat de tante in geval van een plaatsing van [minderjarige] bij de vader een grote rol zal spelen in de zorg en opvoeding van [minderjarige] doordeweeks, maar niet is gebleken dat de GI hiernaar onderzoek heeft gedaan en samen met de vader en de tante goede afspraken heeft gemaakt over de verdeling van de zorg en opvoeding van [minderjarige] en hoe te handelen wanneer zich in de samenwerking tussen de vader en de tante moeilijkheden zouden voordoen. Evenmin is gebleken dat met de vader en de tante is besproken hoe zij naar de rol van de moeder in het leven van [minderjarige] kijken en hoe door hen invulling gegeven gaat worden aan de communicatie met de moeder mede gezien hun moeizame verstandhouding met de moeder. Daarnaast overweegt de kinderrechter dat zowel de GI als de vader hebben aangegeven dat de vader hulpverlening nodig heeft bij het invullen en uitoefenen van zijn opvoedersrol. Tijdens de mondelinge behandeling is echter gebleken dat deze hulpverlening pas zal worden opgestart op het moment dat [minderjarige] geplaatst is bij de vader. Hiermee bestaat het risico dat deze hulpverlening niet tijdig beschikbaar is voor de vader, terwijl deze hulpverlening juist noodzakelijk is om de vader te ondersteunen in zijn opvoedersrol en een eventuele overvraging van de vader te voorkomen. Met name omdat tot eind mei 2023 de vader herhaaldelijk heeft aangegeven de zorg van [minderjarige] niet op zich te kunnen nemen.
5.6
Op grond van dit alles plaatst de kinderrechter grote vraagtekens bij een plaatsing van [minderjarige] bij de vader op dit moment. Van een doordracht plan van de GI tot plaatsing van [minderjarige] bij de vader is de kinderrechter niet gebleken, terwijl [minderjarige] in de afgelopen twee jaren geconfronteerd is geweest met wisselende woonplekken. Dit heeft [minderjarige] enorm belast en veel van haar gevraagd. Zij heeft zich namelijk aan steeds wisselende woon- en opvoedsituaties moeten aanpassen en daarmee veel onstabiliteit in haar leven gehad, hetgeen haar ontwikkeling niet ten goede is gekomen. Er mag dan ook geen enkel risico worden genomen op verdere schade van haar ontwikkeling, waarbij de kinderrechter op basis van de huidige onzekerheden en onduidelijkheden een geslaagde plaatsing van [minderjarige] bij de vader op dit moment te onzeker en daarmee te risicovol acht.
5.7
Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat aan het wettelijk criterium van artikel 1:255 van het BW voor een ondertoezichtstelling van [minderjarige] nog altijd wordt voldaan. Alleen al de onduidelijkheid over het toekomstperspectief van [minderjarige] maakt dat [minderjarige] ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling. De ouders zijn onvoldoende in staat om zelfstandig deze ontwikkelingsbedreiging weg te nemen; de ouders verschillen namelijk van mening over de plek waar [minderjarige] tot aan haar volwassenheid dient op te groeien. Dit maakt de inzet van hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk ter waarborging van de belangen van [minderjarige] . Het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] zal dan ook worden toegewezen.
5.8
Het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling, die loopt tot 2 november 2023, zal worden afgewezen. Het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader per 2 november 2023 wordt aangehouden en het (voorwaardelijke) verzoek van de GI tot het verlengen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg per 2 november 2023 zal worden toegewezen tot 2 januari 2024, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. Daarbij overweegt de kinderrechter dat een plaatsing van [minderjarige] bij één van haar ouders op dit moment niet aan de orde is en daarom een voortzetting van de plaatsing van [minderjarige] in het huidige neutrale pleeggezin vooralsnog is aangewezen. De kinderrechter komt dan ook tot het oordeel dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (nog steeds) noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265b van het BW.
Dictum
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 2 november 2023 tot2 mei 2024;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 2 november 2023 tot 2 januari 2024;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt aan de behandeling van:
- het resterende deel van het verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de periode van 2 januari 2024 tot 2 mei 2024,
- het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader met ingang van 2 november 2023 tot 2 mei 2024,
in afwachting van het verslag van de GI zoals weergegeven in de beoordeling onder 5.9;
verwijst de zaak naar de meervoudige kamer van het team Familie- en Jeugdrecht van de rechtbank Zeeland-West-Brabant;
bepaalt dat beide ouders en hun advocaten, de GI en de Raad zullen worden gehoord tijdens de mondelinge behandeling van de meervoudige kamer van het team Familie- en Jeugdrecht van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 28 november 2023 om 11.00 uur, welke mondelinge behandeling wordt gehouden in het gerechtsgebouw gevestigd te Breda, Stationslaan 10;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de beide ouders en hun advocaten, de GI en de Raad;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor;
wijst af het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] die loopt tot2 november 2023.
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling is deze beschikking, in het openbaar, tijdens de mondelinge behandeling van 9 oktober 2023 gegeven door mr. Benjaddi, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Snatersen, als griffier.
Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing is deze beschikking, in het openbaar, op 23 oktober 2023 gegeven door mr. Benjaddi, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. Snatersen, als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.