Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-04
ECLI:NL:RBZWB:2023:9509
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,498 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer : 10496161 \ MB VERZ 23-625
CJIB-nummer : 4062 5422 4600 4427
uitspraakdatum : 4 december 2023
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam : [betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [postcode] [plaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. M. Lagas (Appjection B.V.)
Procesverloop
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 december 2023. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Betrokkene en gemachtigde zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.
Standpunten
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen, weggedeelte bestemd voor bepaalde categorie voertuigen op de Trouwlaan te Tilburg op 11 november 2021 om 20:47 uur.
Gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete ten onrechte is opgelegd. Betrokkene stelt naar een privésauna te zijn geweest met zijn depressieve vrouw. Zijn vrouw was na ongeveer een uur weggelopen en betrokkene ging haar met zijn auto zoeken, waardoor hij over het voetpad is gereden. Gemachtigde stelt dat betrokkene niet is staande gehouden, hierbij verwijst gemachtigde naar jurisprudentie van het hof. Gemachtigde stelt dat uit de verklaring van de verbalisant dat betrokkene bij hem vandaan reed onvoldoende blijkt dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Wanneer de verbalisant het zaakoverzicht niet op ambtseed heeft afgelegd, kan er volgens gemachtigde geen bijzondere bewijskracht aan toekomen. Voorts verzoekt gemachtigde het beroep gegrond te verklaren en proceskosten toe te wijzen.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gegrond te verklaren en heeft daartoe aangevoerd dat de verbalisant volgens vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onvoldoende heeft toegelicht waarom er geen reële mogelijkheid van staandehouding was. Daarbij is de gedraging ruim twee jaar geleden gebeurd en ziet de zittingsvertegenwoordiger geen reële mogelijkheid meer om een aanvullend proces-verbaal op te vragen bij de betreffende verbalisant. Voorts is er een onjuiste feitcode gebruikt. Aan betrokkene is een boete opgelegd voor feitcode R550B met als omschrijving “handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen, weggedeelte bestemd voor bepaalde categorie voertuigen”. Uit het dossier en de stellingen van betrokkene is gebleken dat deze feitcode niet juist is. De verbalisant had feitcode R550A moeten gebruiken met als omschrijving “Als bestuurder handelen in strijd met een gesloten verklaring in beide richtingen”. Tot slot stelt de zittingsvertegenwoordiger dat de redelijke termijn met meer dan twee jaar is overschreden.
Overwegingen
Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een boete kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de boete aan de kentekenhouder worden opgelegd.
Volgens het zaakoverzicht heeft de verbalisant afgezien van staandehouding omdat het voertuig bij de verbalisanten vandaan reed in tegengestelde richting. Het voertuig kwam van het trottoir af en draaide de busbaan op. Naar het oordeel van de kantonrechter, gelet op de jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, is hiermee onvoldoende onderbouwd waarom er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Dit betekent dat de boete ten onrechte is opgelegd.
Het beroep is daarom gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen. Daarbij wordt voor de telefonische hoorzitting bij de officier van justitie, met toepassing van artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, 0,5 punt toegekend (zie ECLI:NL:GHARL:2021:7004).
De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 597,- = € 298,50
telefonische hoorzitting: 0,5 punt x gewicht 0,5 x € 597,- = € 149,25
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,25 x € 837,- = € 209,25
totaal € 657,00
Dictum
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 159,00 dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 657,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2023.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: