Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-11
ECLI:NL:RBZWB:2023:9415
Strafrecht
Raadkamer
1,315 tokens
Dictum
[verzoekster]
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats]
wonende op het [woonadres]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. R. van ‘t Land, Parkstraat 10 te 4818 SJ Breda.
Verzoekster is [verzoekster] voornoemd.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 2.150,22, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 12 december 2022;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 11 december 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. J.A. Castelein en mr. A.C.M. Tönis als gemachtigd waarnemend advocaat van verzoekster gehoord.
Verzoekster is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoekster is aangevoerd dat de strafzaak tegen haar is geseponeerd. Verzoekster heeft kosten voor rechtsbijstand gemaakt in het kader van de strafzaak. Verzocht wordt om haar hiervoor een vergoeding toe te kennen ter hoogte van € 2.150,22, te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
In raadkamer heeft de advocaat gepersisteerd bij het verzoekschrift. In aanvulling daarop is aangevoerd dat niet tweemaal reistijd voor een verhoor bij de politie is geschreven. De reistijd van 9 december 2021 ziet op het verhoor bij de politie en de reistijd van 16 november 2021 ziet op een bespreking met cliënt buiten kantoor.
De officier van justitie heeft zich, in afwijking van de schriftelijke reactie van het Openbaar Ministerie, in raadkamer op het standpunt gesteld dat het verzoek, gelet op de onderbouwing van de advocaat, in zijn geheel kan worden toegewezen. Niet kan worden gezegd dat de aard en complexiteit niet in verhouding staan met de in rekening gebrachte uren.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Het verzochte bedrag aan kosten van rechtsbijstand ter grootte van € 2.150,22 is in voldoende mate onderbouwd en komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 2.830,22, bestaande uit:
- € 2.150,22 aan kosten van rechtsbijstand; en
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 2.830,22 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden TDNL, onder vermelding van “ [kenmerk] ”.
Deze beslissing is op 11 december 2023 gegeven door mr. A.L. Hoekstra, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven en K. Verdult, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2023.
De griffier mr. Van Grinsven is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).