Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-21
ECLI:NL:RBZWB:2023:9112
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
4,958 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/397271 / FA RK 22-1985
beschikking d.d. 21 december 2023
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. N. Schuerman te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: voorheen mr. P.S.R.N. Maas te Dongen (onttrokken), thans mr. A. Huseinovic te Tilburg.
Ouders van de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het verdere procesverloop
1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank d.d. 26 juli 2022 en alle daarin genoemde stukken;
- het F9-formulier d.d. 5 oktober 2022 van mr. Huseinovic;
- de brief van de Raad d.d. 11 oktober 2022;
- het F9-formulier d.d. 20 november 2022 van mr. Huseinovic, met bijlagen;
- het F9-formulier d.d. 21 november 2022 van mr. Schuerman;
- de brief van de Raad d.d. 7 december 2022;
- de op 17 april 2023 ingekomen rapportage van het UHA, met bijlagen;
- het F9-formulier d.d. 18 april 2023 van mr. Schuerman;
- het op 17 augustus 2023 ingekomen rapport en advies van de Raad;
- het F9-formulier d.d. 29 september 2023 van mr. Huseinovic, met bijlage;
- het F9-formulier d.d. 12 oktober 2023 van mr. Schuerman;
- de brief d.d. 14 november 2023 van mr. Schuerman, tevens houdende een wijziging van het verzoek;
- de brief d.d. 17 november 2023 van mr. Schuerman, tevens houdende een aanvullend zelfstandig verzoek.
1.2.
De verzoeken zijn laatstelijk behandeld op de mondelinge behandeling van 20
november 2023. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
2. De verdere beoordeling
2.1
De rechtbank verwijs naar de beschikking van 26 juli 2022 waarbij de Raad is verzocht om onderzoek te verrichten naar het gezag en de omgang. Verder zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (verder: UHA) voor het volgen van een hulpverleningstraject en is een informatieregeling bepaald. In geschil is nog de omgang en het gezag.
2.2
Het rapport en advies van de Raad is ontvangen op 17 augustus 2023. De Raad adviseert om het verzoek van de man ten aanzien van het gezag af te wijzen en de omgang aan te houden in afwachting van de resultaten van het UHA-traject. Geadviseerd wordt om partijen opnieuw te verwijzen naar het UHA waarbij de focus dient te liggen op uitbreiding van de omgang.
2.3
Beide partijen hebben op het rapport en advies van de Raad gereageerd.
Gezag;
2.4
Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.5
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Van dat uitgangspunt kan alleen worden afgeweken als er concrete en zwaarwegende aanwijzingen zijn dat het kind bij gezamenlijk gezag klem of verloren zou raken of het gezamenlijk gezag anderszins niet in het belang van het kind is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat het in het belang van het kind is dat het ouderlijk gezag uitsluitend of blijvend door één ouder dient te worden uitgeoefend.
2.6
Uit de stukken en hetgeen partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard, is de rechtbank het volgende gebleken. Partijen hebben samen een belast verleden. Daarbij is volgens de vrouw sprake geweest van huiselijk geweld, hetgeen door de man wordt ontkend. De vrouw heeft aangifte gedaan van bedreiging en mishandeling. Volgens de man klopt het dat hij bedreigingen heeft geuit, maar dit waren uitspraken die zijn gedaan in een verhitte discussie met de vrouw en dit was niet bedoeld als bedreiging. Volgens de man heeft de vrouw ook bedreigingen naar hem geuit. De man heeft voor de bedreigingen een taakstraf opgelegd gekregen van 40 uur en is hiertegen in hoger beroep gegaan. Verder staat vast dat de man 22 maanden in detentie heeft gezeten voor drugs en wapenbezit.
2.7
De rechtbank is duidelijk geworden dat de vrouw kampt met onverwerkte trauma’s en gevoelens van angst richting de man. Zij heeft hiervoor hulp gezocht en is door Veilig Thuis doorverwezen naar project STERK. Op dit moment heeft de vrouw hulp vanuit InMind door middel van groepssessies en therapie. Bij de vrouw ontbreekt de draagkracht om rechtstreeks contact te hebben met de man. Er vindt enkel contact plaats via e-mail. De omgangsmomenten tussen de man en de minderjarige vinden plaats onder begeleiding van Groei Jeugdhulp. Als een omgangsmoment geen doorgang kan vinden mailt de vrouw de man met Groei Jeugdhulp in de cc. Daarnaast mailt de vrouw via haar advocaat een keer per maand naar de advocaat van de man in het kader van de overeengekomen informatieregeling. Verder vindt geen enkele communicatie plaats en er bestaat geen concreet vooruitzicht dat in die situatie binnen afzienbare tijd een positieve verandering is te verwachten. De vrouw heeft geen vertrouwen in de man en zij heeft de angst dat de man in geval van gezamenlijk gezag met de minderjarige zal vertrekken naar Turkije en zij ervaart hierdoor veel stress.
2.8
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op dit moment de kans op (toename van) spanningen tussen de ouders bij gezamenlijk gezag reëel is te achten. Toewijzing van het verzoek van de man zal naar het oordeel van de rechtbank leiden tot een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders. De rechtbank zal dan ook, in lijn met het advies van de Raad, het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezamenlijk gezag afwijzen.
Omgang;
2.9
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW, heeft het kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.
Dictum
De rechtbank:
stelt tussen de man en de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, een omgangsregeling vast waarbij volgens de onder rechtsoverweging 2.11 genoemde opbouw en voorwaarden wordt toegewerkt naar een omgangsregeling waarbij voornoemde minderjarige gedurende één weekend per twee weken vanaf vrijdag 16:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de man verblijft;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2023, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt..
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/397271 / FA RK 22-1985
beschikking d.d. 21 december 2023
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. N. Schuerman te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: voorheen mr. P.S.R.N. Maas te Dongen (onttrokken), thans mr. A. Huseinovic te Tilburg.
Ouders van de minderjarige:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het verdere procesverloop
1.1.
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank d.d. 26 juli 2022 en alle daarin genoemde stukken;
- het F9-formulier d.d. 5 oktober 2022 van mr. Huseinovic;
- de brief van de Raad d.d. 11 oktober 2022;
- het F9-formulier d.d. 20 november 2022 van mr. Huseinovic, met bijlagen;
- het F9-formulier d.d. 21 november 2022 van mr. Schuerman;
- de brief van de Raad d.d. 7 december 2022;
- de op 17 april 2023 ingekomen rapportage van het UHA, met bijlagen;
- het F9-formulier d.d. 18 april 2023 van mr. Schuerman;
- het op 17 augustus 2023 ingekomen rapport en advies van de Raad;
- het F9-formulier d.d. 29 september 2023 van mr. Huseinovic, met bijlage;
- het F9-formulier d.d. 12 oktober 2023 van mr. Schuerman;
- de brief d.d. 14 november 2023 van mr. Schuerman, tevens houdende een wijziging van het verzoek;
- de brief d.d. 17 november 2023 van mr. Schuerman, tevens houdende een aanvullend zelfstandig verzoek.
1.2.
De verzoeken zijn laatstelijk behandeld op de mondelinge behandeling van 20
november 2023. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
2. De verdere beoordeling
2.1
De rechtbank verwijs naar de beschikking van 26 juli 2022 waarbij de Raad is verzocht om onderzoek te verrichten naar het gezag en de omgang. Verder zijn partijen verwezen naar het Uniform Hulpaanbod (verder: UHA) voor het volgen van een hulpverleningstraject en is een informatieregeling bepaald. In geschil is nog de omgang en het gezag.
2.2
Het rapport en advies van de Raad is ontvangen op 17 augustus 2023. De Raad adviseert om het verzoek van de man ten aanzien van het gezag af te wijzen en de omgang aan te houden in afwachting van de resultaten van het UHA-traject. Geadviseerd wordt om partijen opnieuw te verwijzen naar het UHA waarbij de focus dient te liggen op uitbreiding van de omgang.
2.3
Beide partijen hebben op het rapport en advies van de Raad gereageerd.
Gezag;
2.4
Op grond van artikel 1:253c, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
2.5
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Van dat uitgangspunt kan alleen worden afgeweken als er concrete en zwaarwegende aanwijzingen zijn dat het kind bij gezamenlijk gezag klem of verloren zou raken of het gezamenlijk gezag anderszins niet in het belang van het kind is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer mee dat het in het belang van het kind is dat het ouderlijk gezag uitsluitend of blijvend door één ouder dient te worden uitgeoefend.
2.6
Uit de stukken en hetgeen partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben verklaard, is de rechtbank het volgende gebleken. Partijen hebben samen een belast verleden. Daarbij is volgens de vrouw sprake geweest van huiselijk geweld, hetgeen door de man wordt ontkend. De vrouw heeft aangifte gedaan van bedreiging en mishandeling. Volgens de man klopt het dat hij bedreigingen heeft geuit, maar dit waren uitspraken die zijn gedaan in een verhitte discussie met de vrouw en dit was niet bedoeld als bedreiging. Volgens de man heeft de vrouw ook bedreigingen naar hem geuit. De man heeft voor de bedreigingen een taakstraf opgelegd gekregen van 40 uur en is hiertegen in hoger beroep gegaan. Verder staat vast dat de man 22 maanden in detentie heeft gezeten voor drugs en wapenbezit.
2.7
De rechtbank is duidelijk geworden dat de vrouw kampt met onverwerkte trauma’s en gevoelens van angst richting de man. Zij heeft hiervoor hulp gezocht en is door Veilig Thuis doorverwezen naar project STERK. Op dit moment heeft de vrouw hulp vanuit InMind door middel van groepssessies en therapie. Bij de vrouw ontbreekt de draagkracht om rechtstreeks contact te hebben met de man. Er vindt enkel contact plaats via e-mail. De omgangsmomenten tussen de man en de minderjarige vinden plaats onder begeleiding van Groei Jeugdhulp. Als een omgangsmoment geen doorgang kan vinden mailt de vrouw de man met Groei Jeugdhulp in de cc. Daarnaast mailt de vrouw via haar advocaat een keer per maand naar de advocaat van de man in het kader van de overeengekomen informatieregeling. Verder vindt geen enkele communicatie plaats en er bestaat geen concreet vooruitzicht dat in die situatie binnen afzienbare tijd een positieve verandering is te verwachten. De vrouw heeft geen vertrouwen in de man en zij heeft de angst dat de man in geval van gezamenlijk gezag met de minderjarige zal vertrekken naar Turkije en zij ervaart hierdoor veel stress.
2.8
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat op dit moment de kans op (toename van) spanningen tussen de ouders bij gezamenlijk gezag reëel is te achten. Toewijzing van het verzoek van de man zal naar het oordeel van de rechtbank leiden tot een onaanvaardbaar risico dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen de ouders. De rechtbank zal dan ook, in lijn met het advies van de Raad, het verzoek van de man om hem mede te belasten met het gezamenlijk gezag afwijzen.
Omgang;
2.9
Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW, heeft het kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind.
Dictum
De rechtbank:
stelt tussen de man en de [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, een omgangsregeling vast waarbij volgens de onder rechtsoverweging 2.11 genoemde opbouw en voorwaarden wordt toegewerkt naar een omgangsregeling waarbij voornoemde minderjarige gedurende één weekend per twee weken vanaf vrijdag 16:00 uur tot zondag 16:00 uur bij de man verblijft;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkman, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2023, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt..