Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-15
ECLI:NL:RBZWB:2023:9022
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,617 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4150 PW
uitspraak van 15 december 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats 1] , eiseres,
gemachtigde: mr. V.M.C. Verhaegen,
en
het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (Orionis) , verweerder.
Procesverloop
Met het besluit van 21 maart 2022 (primair besluit) heeft Orionis de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van de huur van een garage afgewezen, omdat het daarbij niet zou gaan om noodzakelijke kosten.
In het besluit van 20 juli 2022 (bestreden besluit) heeft Orionis de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 31 oktober 2023. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Orionis werd vertegenwoordigd door [naam] .
Overwegingen
1. Eiseres stond tot 15 april 2021 in de Basisregistratie personen (Brp) met haar ex-partner ingeschreven op het [adres] in [plaats 2] . De scheiding van tafel en bed tussen eiseres en haar ex-partner is uitgesproken op [datum] 2021. Op 3 maart 2022 heeft eiseres bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de huur van een garagebox, voor een bedrag van € 293,48. Deze aanvraag heeft geleid tot de onder het procesverloop weergegeven besluitvorming.
Standpunt Orionis
2. Volgens Orionis heeft eiseres geen recht op bijzondere bijstand voor de kosten van de huur van een garage, omdat het daarbij niet gaat om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet. Orionis werpt eiseres tegen dat zij al vanaf 25 augustus 2015 een garagebox huurt, en deze na de scheiding van tafel en bed is blijven huren. Eiseres heeft de kosten van de huur ook vanaf de aanvang zelf voldaan. Verder is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet.
Standpunt eiseres
3. Volgens eiseres is haar aanvraag ten onrechte afgewezen. Zij voert aan dat zij na haar verhuizing in 2015 van Friesland naar Zeeland een garage heeft gehuurd voor de opslag van haar inboedel. Tot 1 april 2022 stond in de garage een deel van haar inboedel. Volgens eiseres waren de huurkosten wel noodzakelijk, omdat zij als dakloze niet over woonruimte beschikte en haar inboedel moest opslaan in afwachting van een nieuwe woning. Verder bedroeg het inkomen van eiseres 50% van het sociaal minimum, en leende zij maandelijks om in de noodzakelijke kosten van bestaan te kunnen voorzien. Eiseres heeft haar beroepsgrond dat het vertrouwensbeginsel is geschonden ter zitting ingetrokken.
Relevante toetsingskader
4. In artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet is bepaald wanneer recht op bijzondere bijstand bestaat. Bij de toepassing van dit artikel 35 moet eerst worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen (stap 1), vervolgens of die kosten in het individuele geval van de betrokkene noodzakelijk zijn (stap 2) en daarna of die kosten voortvloeien uit individuele bijzondere omstandigheden (stap 3). Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm (stap 4).
Beoordeling
5. De rechtbank overweegt dat huurkosten voor de opslag van een inboedel en andere persoonlijke zaken in een gehuurde opslag buiten de woning volgens vaste rechtspraak van Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie bijvoorbeeld de uitspraak van de van 5 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2498) in beginsel niet als noodzakelijke kosten van het bestaan kunnen worden aangemerkt. In het algemeen zal de ruimte in een woning toereikend zijn om inboedel en persoonlijke zaken te herbergen en moet een betrokkene de omvang daarvan afstemmen op de beschikbare ruimte. Dit kan anders zijn als door onvoorziene omstandigheden de noodzaak ontstaat om een inboedel tijdelijk, in afwachting van het betrekken van andere woonruimte, op te slaan.
7. Naar het oordeel van de rechtbank stelt Orionis zich terecht op het standpunt dat het bij de huurkosten voor de garage van eiseres niet gaat om uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten, als bedoeld in de aangehaalde rechtspraak. Hoewel een noodzaak voor het huren van een garage voor de opslag van inboedel door dakloosheid kan ontstaan, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij deze garage daadwerkelijk nodig had voor de opslag van haar inboedel. Daarbij acht de rechtbank van belang dat onduidelijk is gebleven of er genoeg ruimte was in de garage om de inboedel op te slaan. Eiseres heeft bovendien ter zitting aangegeven dat een deel van haar inboedel niet daarin kon worden opgeslagen vanwege vochtproblemen. Verder is ter zitting besproken dat eiseres op basis van het met haar ex-partner gesloten echtscheidingsconvenant de mogelijkheid had om haar inboedel in de voormalige echtelijke woning te laten. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een door onvoorziene omstandigheden ontstane noodzaak om inboedel tijdelijk – in afwachting van het betrekken van andere woonruimte – op te slaan.
Conclusie
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat Orionis de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand voor de kosten van de huur van een garage mocht afwijzen. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 15 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak te ondertekenen.
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.