Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-21
ECLI:NL:RBZWB:2023:8986
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,233 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 22/1568 en BRE 22/1569
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. P.R. Botman),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Geertruidenberg, de heffingsambtenaar,
en
de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 3 maart 2022 en 10 februari 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikkingen van 31 augustus 2021 de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op respectievelijk 1 januari 2019 en 1 januari 2020 (de waardepeildata) vastgesteld op € 410.000 respectievelijk € 495.000 (de WOZ-waarden). De WOZ-waarde geldt voor het belastingjaar 2020 respectievelijk 2021. Tegelijk met de waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Geertruidenberg voor het jaar 2020 respectievelijk 2021 opgelegd (de aanslagen OZB).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de bezwaren van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende, [naam 1] (vader belanghebbende) en de gemachtigde, en, namens de heffingsambtenaar is verschenen [naam 2] .
Feiten
2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het is een vrijstaande woning met een oppervlakte van 286 m2, met tuinhuis. De oppervlakte van het perceel bedraagt 786 m2. Het perceel maakt deel uit van een waterverdedigingswerk. Daarnaast is op een deel van het perceel een recht van overpad gevestigd.
Beoordeling
3. Partijen hebben ter zitting bij wijze van compromis overeenstemming bereikt. Partijen hebben het volgende afgesproken:
Dat de WOZ-waarde voor belastingjaar 2020, waardepeildatum 1 januari 2019, wordt vastgesteld op € 365.000;
Dat de WOZ-waarde voor belastingjaar 2021, waardepeildatum 1 januari 2020, wordt vastgesteld op € 375.000;
Dat de aanslagen OZB dienovereenkomstig dient te worden verminderd;
Dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van het betaalde griffierecht;
Dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade en een vergoeding van de proceskosten in beroep, waarbij telkens wordt uitgegaan van twee samenhangende zaken.
3.1.
De rechtbank beslist dienovereenkomstig en zal hieronder de hoogte van de vergoeding van immateriële schade en de proceskostenvergoeding vaststellen. Verder beoordeelt de rechtbank het verzoek van belanghebbende om een dwangsom.
Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
3.2.
Belanghebbende maakt aanspraak op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
3.3.
De redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt een periode van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift. De heffingsambtenaar heeft de bezwaarschriften van belanghebbende ontvangen op 30 september 2021 en 4 oktober 2021. De rechtbank doet uitspraak op 21 december 2023, waarmee de redelijke termijn is overschreden met afgerond 3 maanden.
3.4.
Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in gevallen waar sprake is van een waardebepaling in het kader van de Wet WOZ, dan wel van aanslagen opgelegd door een heffingsambtenaar ziet de rechtbank aanleiding de omvang van deze vergoeding te bepalen op € 50 per (gedeelte van een) half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarbij acht de rechtbank bepalend dat het financiële belang in de regel minder is dan een bedrag van € 500 en de veronderstelde spanning en frustratie een vergoeding tot ten hoogste € 50 per half jaar overschrijding rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dan ook recht op een schadevergoeding van € 50.
Verbeurde dwangsom
3.5.
Belanghebbende heeft verzocht om een dwangsom toe te kennen, omdat de heffingsambtenaar niet tijdig op het bezwaar tegen de WOZ-waarde voor belastingjaar 2020 heeft beslist. Op grond van artikel 8:55c van de Awb kan de rechtbank in dit geval de hoogte van verbeurde dwangsom vaststellen. Bij brief van 7 februari 2022 heeft belanghebbende de heffingsambtenaar in gebreke gesteld wegens het uitblijven van de uitspraak op bezwaar. Uitgaande van ontvangst van de ingebrekestelling op dezelfde dag, had de heffingsambtenaar uiterlijk op 21 februari 2022 moeten beslissen. Aangezien de heffingsambtenaar pas op 3 maart 2022 uitspraak op bezwaar heeft gedaan, is hij over de periode van 22 februari 2022 tot en met 3 maart 2022, in totaal 10 dagen, een dwangsom verschuldigd. De heffingsambtenaar is dan een dwangsom verschuldigd van € 230.
Conclusie
4. De beroepen voor de belastingjaren 2020 en 2021 zijn gegrond. Dit betekent dat de WOZ-waardes en de daarmee samenhangende OZB-aanslagen moeten worden verlaagd. De heffingsambtenaar dient dit uit te voeren. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegewezen.
4.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.
4.2.
Belanghebbende krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft in de bezwaarfase geen werkzaamheden verricht. In beroep heeft hij een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837. De vergoeding voor de beroepsfase bedraagt dan in totaal € 1.674. Verder zijn er geen kosten gesteld die vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep voor belastingjaar 2020 gegrond;
verklaart het beroep voor belastingjaar 2021 gegrond;
vernietigt de uitspraken op bezwaar voor belastingjaren 2020 en 2021 ;
vermindert de WOZ-waarde van de woning voor belastingjaar 2020 tot een bedrag van € 365.000;
vermindert de WOZ-waarde van de woning voor belastingjaar 2021 tot een bedrag van € 375.000;
vermindert de aanslagen OZB voor belastingjaren 2020 en 2021 dienovereenkomstig;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraken op bezwaar;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 50;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 1.674 aan proceskosten aan belanghebbende;
bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems - Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Garb, griffier, op 21 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Op grond van artikel 4.17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).