Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-14
ECLI:NL:RBZWB:2023:8797
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,254 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/416077 / FA RK 23-5396
Schadevergoeding ex art. 10:12 Wvggz
Beschikking van 14 december 2023 op het ingediende verzoekschrift van:
[verzoeker]
,
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,
wonende aan [woonadres] ,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. T.W. Delhaye te Leeuwarden,
ter verkrijging van een beslissing over een verzoek om schadevergoeding door:
DE OFFICIER VAN JUSTITIE van het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant,
gevestigd te Breda,
verweerder,
hierna te noemen: de officier van justitie.
Procesverloop
1.1
Het procesverloop van deze zaak bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift met bijlagen van 16 november 2023, ingekomen bij de griffie op 17 november 2023;
- het verweerschrift van 27 november 2023, ingekomen bij de griffie op diezelfde datum;
- de brief van de zijde van verzoeker van 5 december 2023, zijnde een reactie op het verweerschrift;
- het e-mailbericht van de officier van justitie van 7 december 2023, zijnde dat het standpunt gehandhaafd blijft en gerefereerd wordt aan het oordeel van de rechtbank.
1.2
Verzoeker heeft verzocht om een schriftelijke afdoening van het verzoek. De officier van justitie heeft hiermee ingestemd. Aldus heeft er geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
Feiten
2.1
De geneesheer-directeur van de zorgaanbieder heeft bij brief van 22 augustus 2023 aan verzoeker te kennen gegeven dat de officier van justitie heeft besloten een zorgmachtiging voor te bereiden.
2.2
De officier van justitie heeft (de advocaat van) verzoeker bij brief van 22 september 2023 geïnformeerd dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor verplicht zorg en dat hij heeft besloten om een verzoekschrift voor een zorgmachtiging voor betrokkene in te dienen bij de rechtbank.
2.3
Bij beschikking van deze rechtbank van 5 oktober 2023 is in de zaak met kenmerk C/02/414157 / FA RK 23-4454 een zorgmachtiging ten aanzien van verzoeker verleend.
3Verzoek en verweer
3.1
Het verzoek van 16 november 2023 strekte ertoe de officier van justitie te veroordelen tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding ter hoogte van € 30,=.
3.2
Verzoeker legt aan zijn verzoek tot schadevergoeding ten grondslag dat de officier de termijn als genoemd in artikel 5:16 Wvggz heeft overschreden en dat hij als gevolg daarvan schade heeft geleden. Hij voert daartoe, samengevat, het volgende aan.
De officier van justitie heeft op 22 augustus 2023 besloten om een zorgmachtiging voor te bereiden. De officier van justitie heeft niet binnen vier weken nadien, zijn beslissing medegedeeld aan verzoeker, terwijl hij hiertoe op grond van artikel 5:16 lid 1 Wvggz wel verplicht was. Indiening van het verzoek had volgens verzoeker uiterlijk op 18 september 2023 plaats moeten vinden. Echter, de officier van justitie heeft het verzoek op 22 september 2023 bij de rechtbank ingediend en daarvan melding gedaan aan (de advocaat van) verzoeker. Daar binnen de in artikel 5:16 Wvggz genoemde termijn geen verzoek was ingediend, heeft verzoeker hoop mogen houden dat de zorgmachtiging niet zou worden aangevraagd. Als gevolg daarvan heeft verzoeker schade geleden, doordat hij in onzekerheid heeft verkeerd wat bij hem tot spanning en onrust heeft geleid. Op de voet van artikel 10:12 lid 3 Wvggz verzoekt verzoeker de rechtbank om een schadevergoeding toe te kennen en die schade naar billijkheid vast te stellen op een bedrag van € 30,= zijnde een vergoeding van
€ 10,= per dag bij een overschrijding van drie dagen. Verzoeker verwijst daarbij naar de uitspraak van gerechtshof Den Haag van 14 december 2022. Verzoeker benoemt daarbij dat het bedrag van € 30,= voor hem aanzienlijk is gezien zijn slechte financiële situatie.
3.3
De officier van justitie verweert zich, samengevat, als volgt. De officier van justitie erkent dat hij de in artikel 5:16 Wvggz genoemde informatieverplichting niet is nagekomen en dat dit niet aan verzoeker is te wijten. De officier van justitie betwist dat dit tot gevolg moet hebben dat er schadevergoeding moet worden betaald. Volgens de officier van justitie betreft de termijnoverschrijding van drie dagen slechts een geringe overschrijding. De officier van justitie verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2023. Uit dat arrest volgt dat indien sprake is van slechts een geringe overschrijding van de beslistermijn en de rechter van oordeel is dat in de vaststelling dat die beslistermijn is overschreden, afdoende genoegdoening is gelegen voor het nadeel dat betrokkene door de termijnoverschrijding heeft ondervonden, de rechter kan volstaan met deze vaststelling. Gelet daarop verzoekt de officier van justitie het verzoek tot schadevergoeding af te wijzen en te volstaan met de vaststelling dat de termijn als bedoeld in artikel 5:16 lid 1 Wvggz is overschreden.
3.4
In reactie op het verweerschrift van de officier van justitie bericht verzoeker de rechtbank, samengevat, dat het voldoende aannemelijk is dat hij immateriële schade heeft geleden. Anders dan de officier van justitie is verzoeker van mening dat het enkel vaststellen van de termijnoverschrijding onvoldoende genoegdoening biedt. Uit het door de officier van justitie genoemde arrest van de Hoge Raad 14 maart 2023 volgt enkel dat in sommige omstandigheden de rechtbank kan vaststellen dat er geen schadevergoeding hoeft te worden voldaan als er geen nadeel ondervonden wordt. Het betreft een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent niet dat bij elke geringe termijnoverschrijding een verzoek tot schadevergoeding dient te worden afgewezen. In het geval van verzoeker is door het uitblijven van een beslissing van de officier van justitie de spanning en frustratie die dat oplevert zodanig dat een enkele vaststelling van die termijnoverschrijding niet volstaat. Het kan niet zo zijn dat de in de Wvggz genoemde termijnen als loze letters gezien kunnen worden, zonder gevolgen. De zaak van verzoeker betrof bovendien geen uitzonderlijk complexe zaak. Er is door de officier van justitie een administratieve fout gemaakt, die geen rechtvaardiging biedt voor de overschrijding van de in artikel 5:16 lid 1 Wvggz genoemde termijn.
Beoordeling
4.1
Indien de wet niet in acht is genomen door de officier van justitie of de rechter, kan betrokkene of de vertegenwoordiger op grond van het derde lid van artikel 10:12 Wvggz de rechter verzoeken tot schadevergoeding ten laste van de Staat. De rechter kent een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding toe.
4.2
In artikel 5:16 lid 1 Wvggz is bepaald dat de officier van justitie zijn schriftelijke en gemotiveerde beslissing of voldaan is aan de criteria voor verplichte zorg zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na de mededeling van de geneesheer-directeur, meedeelt.
4.3
Vast staat dat de officier van justitie zijn informatieverplichting zoals is opgenomen in artikel 5:16 Wvggz niet is nagekomen. De officier erkent dat er sprake is van een termijnoverschrijding. Verzoeker en de officier van justitie zijn het met elkaar eens dat de termijnoverschrijding drie dagen betreft. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of deze overschrijding moet leiden tot toekenning van een schadevergoeding aan verzoeker.
4.4
De wetgever heeft in de Wvggz strakke termijnen gesteld. Het doel daarvan is dat psychiatrische patiënten, die een kwetsbare groep vormen, zo kort mogelijk in onzekerheid verkeren of de officier van justitie daadwerkelijk bij de rechtbank een verzoek tot een zorgmachtiging zal indienen. Verder heeft de wetgever met artikel 10:12 Wvggz een laagdrempelige regeling in de wet opgenomen voor een verzoek tot schadevergoeding en dat daarbij voldoende is dat er enige onderbouwing is voor de geleden schade. In beginsel is daarbij het reguliere aansprakelijkheidsrecht van toepassing. Verzoeker moet stellen dat hij schade heeft geleden en dat er een causaal verband bestaat tussen zijn schade en de normschending.
4.5
De officier van justitie bepleit een afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding en over te gaan tot een enkele vaststelling dat de termijn van artikel 5:16 Wvggz is overschreden.
4.6
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval uit de stukken voldoende aannemelijk is geworden dat de termijnoverschrijding enige schade aan de zijde van verzoeker heeft veroorzaakt. Verzoeker heeft door de termijnoverschrijding langer in onzekerheid verkeerd of er een zorgmachtiging zou worden aangevraagd en zo ja, of die zou worden toegewezen. Hij heeft hierdoor spanning, frustratie en onzekerheid ervaren. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de termijnoverschrijding heeft geleid tot immateriële schade bij verzoeker. De rechtbank volgt verzoeker in zijn stelling dat in het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2023 sprake is van een discretionaire bevoegdheid: de rechtbank kan vaststellen dat er geen schadevergoeding hoeft te worden voldaan en dat niet bij elke geringe overschrijding van de termijn volstaan kan worden met een vaststelling dat de termijn is overschreden. Uitgangspunt dient te zijn, ‘schadevergoeding, tenzij’. Daar komt bij dat de zaak van verzoeker, op grond van de stukken, geen uitzonderlijk complexe betreft. Bovendien erkent de officier van justitie dat zijn termijnoverschrijding verzoeker niet kan worden verweten en betwist de officier van justitie de door verzoeker gestelde onzekerheid, spanning en onrust niet. De rechtbank gaat aldus in dit geval uit van schade aan de zijde van verzoeker, zodanig dat een enkele vaststelling van de termijnoverschrijding onvoldoende genoegdoening biedt, hoe gering de termijnoverschrijding ook.
4.7
De volgende vraag die dient te worden beantwoord is of de door verzoeker verzochte schadevergoeding billijk is. De rechtbank houdt bij de vaststelling van de hoogte van de schadevergoeding rekening met de ernst van de normschending en met wat de gevolgen hiervan voor verzoeker zijn geweest. Alle omstandigheden van het geval dienen daarbij te worden meegewogen.
4.8
De rechtbank oordeelt dat een vergoeding van € 10,= per dag dat de termijn is overschreden in dit geval billijk is. Een vergoeding van € 10,= per dag acht de rechtbank in overeenstemming met de door verzoeker geleden schade. De rechtbank heeft daarbij mede in acht genomen de vergoedingen die de diverse rechtbanken in den lande in dergelijke gevallen hanteren. Er zijn geen, althans onvoldoende omstandigheden gebleken die in dit geval tot een hogere schadevergoeding zouden moeten leiden.
4.9
Omdat sprake is van een termijnoverschrijding van drie dagen, waarover verzoeker en de officier van justitie het eens zijn, bedraagt de door de Staat aan verzoeker te betalen schadevergoeding naar het oordeel van de rechtbank € 30,=.
4.10
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De rechtbank:
veroordeelt de Staat - de officier van justitie van arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant - tot betaling van een bedrag van € 30,= (zegge: dertig euro) aan schadevergoeding aan verzoeker;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Vos als griffier en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2023.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open op grond van artikel 358 lid 1 Rv.
Gerechtshof Den Haag 14 december 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2645.
Hoge Raad 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:504.