Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-12-15
ECLI:NL:RBZWB:2023:8765
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,103 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5888
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende]
, uit [plaats] , [land] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. G.J.M.E. de Bont),
en
de ontvanger van de belastingdienst, de ontvanger.
1Inleiding
1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld omdat de ontvanger volgens hem niet op tijd heeft beslist op het verzoek om kwijtschelding van 17 maart 2022, ontvangen bij de ontvanger op 18 maart 2022.
1.2.
Omdat de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Geschil
2.1.
In geschil is of de (fiscale) bestuursrechter bevoegd is te oordelen over het al dan niet tijdig beslissen op het verzoek om kwijtschelding en of er een dwangsom verschuldigd is wegens het niet tijdig beslissen.
Beoordeling
3.1.
Belanghebbende heeft verzocht om kwijtschelding van een conserverende aanslag. Omdat volgens belanghebbende de ontvanger niet tijdig heeft beslist op dit verzoek, heeft hij een beroep ingediend om de ontvanger ertoe te bewegen alsnog te beslissen.
Lopende de procedure heeft de ontvanger alsnog beslist op het verzoek van belanghebbende. In zoverre is het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk.
Belanghebbende heeft daaropvolgend verzocht of de rechtbank de in zijn ogen verbeurde dwangsom wil vaststellen.
De rechtbank wijst dit verzoek af. Dit verzoek is namelijk gebaseerd op de veronderstelling dat op het kwijtscheldingsverzoek dat belanghebbende heeft gedaan de dwangsombepalingen van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing zijn. Dat is echter niet zo. Het verzoek om kwijtschelding geschiedt namelijk op basis van artikel 70ea van de Invorderingswet 1990 (IW 1990) in verbinding met artikel 26, lid 2 van de IW en artikel 1b, lid 2 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. In artikel 1, lid 2 van de IW is bepaald dat op die wet de bepalingen van (onder meer) titel 4.1 van de Awb niet van toepassing is. Om die reden is er geen mogelijkheid om een dwangsom toe te kennen. De rechtbank wijst het verzoek om een dwangsom dus af.
3.2.
Omdat lopende het beroep alsnog is beslist, ziet de rechtbank aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten. Deze wordt vastgesteld op € 837 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met wegingsfactor 1).
3.3.
Aangezien de rechtbank onbevoegd is, zal aan de griffier worden opgedragen het griffierecht dat is betaald terug te betalen aan belanghebbende.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om een dwangsom af;
veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 837;
draagt de griffier op het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 15 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.