Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-11-17
ECLI:NL:RBZWB:2023:8132
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,771 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/671
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2023 in de zaak tussen
[eisers] , uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. R.M. Königel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda
(gemachtigden: mr. F.L.M. Tijhof en [naam] ).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. A. Schreijenberg).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen een aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning.
1.1.
Het college heeft deze omgevingsvergunning met het besluit van 21 juli 2022 verleend. Met het bestreden besluit van 12 december 2022 op het bezwaar van eisers is het college bij de vergunningverlening gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 oktober 2023 op zitting behandeld. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
Totstandkoming van het besluit
2. Vergunninghouder wil op de [locatie] te [plaats] een vrijstaande woning met aangebouwd bijgebouw kunnen bouwen. Eisers wonen op het aangrenzende perceel.
2.1.
Bij besluit van 14 januari 2021 heeft het college vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen” en “gebruiken in strijd met het bestemmingsplan”. Met toepassing van artikel 4, onderdeel 1 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is afgeweken van het [bestemmingsplan] ”. De aanbouw staat dichter op de erfgrens dan op grond van het bestemmingsplan is toegestaan en is daarnaast ook hoger.
2.2.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Met de beslissing op bezwaar van 5 augustus 2021 heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Op 23 mei 2022 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen”.
2.4.
Met het besluit van 21 juli 2022 heeft het college de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” verleend.
2.5.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om ook ten aanzien van dit besluit een voorlopige voorziening te treffen.
2.6.
Met de uitspraak van 3 november 2022 heeft de voorzieningenrechter eisers’ beroep tegen de omgevingsvergunning van 14 januari 2021 ongegrond verklaard en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Ook het verzoek om ten aanzien van het besluit van 21 juli 2022 een voorlopige voorziening te treffen is afgewezen.
2.7.
Met het besluit van 12 december 2022 heeft het college het bezwaar van eisers tegen het besluit van 21 juli 2022 ongegrond verklaard.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen”. De rechtbank doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Eisers hebben aangevoerd dat de status van de omgevingsvergunning onduidelijk is. Niet duidelijk is of de eerdere omgevingsvergunning daarmee is vervangen of gewijzigd. In de nieuwe omgevingsvergunning heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de activiteit “bouwen” in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Er is sprake van strijd met het bestemmingsplan, omdat de aanbouw tot op de perceelsgrens is geprojecteerd. De omgevingsvergunning voor het gebruiken in strijd met het bestemmingsplan kan niet met toepassing van artikel 4, onderdeel 1 van Bijlage II van het Bor worden verleend. Die bepaling ziet op bijbehorende bouwwerken. De aanbouw kan niet als bijbehorend bouwwerk worden aangemerkt.
4.2.
Het bestreden besluit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden begrepen dan als een wijziging op de eerste omgevingsvergunning. Zoals het college in het bestreden besluit van 12 december 2022 heeft toegelicht, zien de wijzigingen op de bouwtechniek en op de afmetingen van de kelder. Met het bestreden besluit is niet zelfstandig (nogmaals) een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een woning met dezelfde maatvoering, hoogte en vorm als in de eerste omgevingsvergunning. Dit blijkt uit het feit dat de aanvraag vermeldt dat de aanvraag ziet op een wijziging op de eerste omgevingsvergunning, dat in het besluit van 21 juli 2022 is vermeld dat de voorschriften uit de eerste vergunning onverminderd van toepassing blijven en dat in omgevingsvergunning van 21 juli 2022 niets is vermeld over de afmetingen en situering van de woning.
4.3.
Omdat met het bestreden besluit niet zelfstandig (nogmaals) een omgevingsvergunning is verleend voor het realiseren van een woning, behoeven eisers’ beroepsgronden over de situering van de aanbouw en de mogelijkheden om daarvoor een vergunning te verlenen geen beoordeling.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de vergunningverlening in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.J.C. Goorden, griffier, op 17 november 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RBZWB:2022:6460