Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-11-17
ECLI:NL:RBZWB:2023:7996
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,068 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/3486
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 november 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , [land] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de brief van de inspecteur van 3 juni 2022, betreffende de navorderingsaanslag erfbelasting 2018, met [aanslagnummer] (hierna: de navorderingsaanslag).
1.1.
Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is , doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De navorderingsaanslag erfbelasting inzake de nalatenschap van de heer [erflater] is met dagtekening 30 december 2021 vastgesteld. De inspecteur heeft onweersproken gesteld, en uit het dossier is ook niet anders gebleken, dat belanghebbende tegen de navorderingsaanslag geen bezwaar heeft gemaakt. Andere erfgenamen hebben dat wel gedaan. Naar aanleiding van die bezwaarprocedure is de navorderingsaanslag erfbelasting van belanghebbende verminderd. De brief waarmee de inspecteur dit bekend heeft gemaakt is gegoten in de vorm van een uitspraak op bezwaar. Deze brief vermeldt, voor zover hier van belang, het volgende: “U hebt bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag Erfbelasting 2018 (…). Wij komen gedeeltelijk aan uw bezwaar tegemoet (…). Voormelde brief is tevens voorzien van een zogenoemde rechtsmiddelenverwijzing. Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de vermindering.
Ontvankelijkheid beroep
3. Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen. Voordat beroep kan worden ingesteld, moet eerst bezwaar worden gemaakt. De verplichting eerst bezwaar te maken is dus als voorwaarde gesteld voor het recht om beroep in te stellen.
4. Vast staat dat belanghebbende geen bezwaar heeft gemaakt tegen de navorderingsaanslag. Naar het oordeel van de rechtbank is om die reden de brief van 3 juni 2022 geen voor beroep vatbare beslissing, maar een ambtshalve genomen besluit, waartegen geen beroep kan worden ingesteld bij de belastingrechter. Dat de brief van 3 juni 2022 in de vorm van een uitspraak op bezwaar is gegoten en een rechtsmiddelenverwijzing heeft, maakt dat niet anders. De belastingrechter is dus onbevoegd. Wel kan beroep worden ingesteld bij de burgerlijke rechter.
Conclusie
5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank kennelijk onbevoegd het beroep te behandelen.
5.1.
Omdat de inspecteur de beslissing van 3 juni 2022 heeft gegoten in de vorm van een uitspraak op bezwaar en daarbij tevens een rechtsmiddelenverwijzing heeft opgenomen, ziet de rechtbank aanleiding om te beslissen dat het griffierecht door de inspecteur wordt vergoed.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd om het beroep te behandelen;
- bepaalt dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 aan deze vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 17 november 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Artikel 8:1, eerste lid, van de Awb.
Artikel 7:1, eerste lid, van de Awb.