Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-11-10
ECLI:NL:RBZWB:2023:7955
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,122 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5446 ZW
uitspraak van 10 november 2023 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] te [plaats] , eiser,
gemachtigde: mr. I.A.C. Cools,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Eindhoven), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen.
Het UWV heeft met het besluit van 12 oktober 2022 (primair besluit) geweigerd per
5 januari 2022 aan eiser een ZW-uitkering toe te kennen, omdat hij in staat wordt geacht om de eerder geselecteerde functie van ‘administratief medewerker notaris/advocaat/rechtbank’ te verrichten. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Vervolgens heeft het UWV met een besluit van 12 oktober 2022 (bestreden besluit) het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het UWV is dus bij het primaire besluit gebleven.
Hierop heeft eiser bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2023 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en namens het UWV [naam 1] .
Beoordeling
2. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser geschikt is om ‘zijn arbeid’ –te verrichten. De rechtbank zal beoordelen of dit juist is. Zij doet dit aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft geweigerd per 5 januari 2022. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.2.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3.3.
Eiser is werkzaam geweest als CNC-draaier/freezer bij [bedrijf] B.V. voor gemiddeld 39,98 uur per week. Voor dat werk is hij uitgevallen vanwege belemmerende gezondheidsklachten. Eiser is gedurende zijn ziekteperiode begeleid door een bedrijfsarts. De poging tot re-integratie in minder belastend werk heeft voor eiser en zijn (voormalig) werkgever helaas niet geleid tot een succesvol resultaat van het re-integratieproces. Daarom heeft eiser op 12 november 2020 bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd, waarna er in 2021 een WIA-beoordeling heeft plaatsgevonden. Eiser is nog geschikt geacht voor de volgende functies: administratief medewerker notaris/advocaat/rechtbank (Sbc-code 532040), productieplanner /werkvoorbereider (Sbc-code 312010) en productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180).
Eiser is daarna niet meer werkzaam geweest. Op 5 januari 2022 heeft hij zich opnieuw ziek gemeld.
3.4.
De rechtbank stelt vast dat de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies moeten worden aangemerkt als ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW.
Zijn de beperkingen juist vastgesteld?
4. Het bestreden besluit is gebaseerd op rapporten van een arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van het UWV.
4.1.
Arts [naam 2] heeft eiser in het kader van zijn aanvraag om een ZW-uitkering gezien op het spreekuur van 11 mei 2022, waarbij lichamelijk en psychisch onderzoek is verricht, en heeft het dossier bestudeerd. De arts heeft – getoetst en akkoord bevonden door verzekeringsarts [naam 4] – op 13 mei 2022 hierover – zakelijk weergegeven – het volgende gerapporteerd. Eiser meldt zich ziek met een toename van bestaande klachten. Eiser meldt schouderklachten beiderzijds, rechts meer dan links, gebruikt daarvoor pijnstilling zonder effect en geeft aan geen baat te hebben gehad bij de doorlopen trajecten. Eiser ervaart ook psychische klachten, maar heeft geen suïcidale plannen. Hij staat voor deze klachten op de wachtlijst bij een psycholoog en gebruikt sinds januari 2022 amitriptyline, waar hij suf van wordt. Eiser acht zich volledig arbeidsongeschikt. Bij het psychisch onderzoek is er geen ernstige psychopathologie geobjectiveerd. Bij het lichamelijk onderzoek is er bewegingsbeperking met pijnprovocatie van de schouders geobjectiveerd. In de Functionele Mogelijkhedenlijst van 27 januari 2021 (WIA-beoordeling) is voldoende rekening gehouden met de schouder- en psychische problematiek. vanwege medicatiegebruik met een versuffend effect is eiser momenteel ook aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico; niet op hoogtes werken en geen werk met gevaarlijke machines die niet beveiligd zijn. In de geduide functies – onder andere ‘administratief medewerker notaris/advocaat/rechtbank’ – is de toegevoegde beperking geen kenmerkende belasting. Om die reden is eiser doorlopend geschikt voor de maatgevende arbeid te beschouwen en wordt de ziekmelding niet plausibel geacht.
Verzekeringsarts b&b [naam 3] heeft eiser gezien bij de hoorzitting van 3 oktober 2022, waarbij lichamelijk en psychisch onderzoek is verricht, en heeft het dossier bestudeerd. De verzekeringsarts b&b heeft op 4 oktober 2022 hierover – zakelijk weergegeven – het volgende gerapporteerd. Er zijn geen verzekeringsgeneeskundige gronden om tot een ander oordeel te komen dan arts [naam 2] . In bezwaar is er geen verdere medische informatie aangeleverd. Er zijn dus geen redenen om te veronderstellen dat de gestelde diagnoses – frozen shoulder rechts (en klachten linker schouder) en spanningsklachten – incorrect zouden zijn. Eiser voldoet niet aan de criteria voor volledige arbeidsongeschiktheid in medische zin. Er is dus geen sprake van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. Arts [naam 2] heeft middels het afnemen van een uitgebreide anamnese, het uitvoeren van een gericht lichamelijk onderzoek en meenemen van aanwezige medische informatie een beoordeling gedaan. De gezondheidsproblematiek heeft zich sindsdien niet verslechterd. De per januari 2021 geduide beperkingen waren ook per 5 januari 2022 aan de orde. De ten tijde van de WIA-beoordeling geduide functies, die de maatgevende arbeid zijn gaan vormen, zijn per 5 januari 2022 ongewijzigd aan de orde. De functie ‘administratief medewerker notaris/advocaat/rechtbank’ wordt ook in bezwaar geschikt geacht. Dit betreft een functie die niet fysiek zwaar is voor het bovenste bewegingsapparaat of op mentaal vlak. Voor de geclaimde beperking in de duurbelasting kan geen medische grondslag worden gevonden.
4.2.
Eiser heeft tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat er onvoldoende beperkingen zijn aangenomen gezien zijn fysieke en mentale klachten. Er zijn meer beperkingen op het gebied van sociaal functioneren en dynamische handelingen. Daarnaast had er een urenbeperking moeten worden aangenomen. De geduide functies zijn hierdoor niet geschikt. Eisers frozen shoulder rechts leidt tot overcompensatie, waardoor vergelijkbare klachten links en uitstraling naar de nek zijn ontstaan. Eisers psychische klachten uiten zich onder meer in depressiviteit, slaapproblemen, vermoeidheid en overspannenheid.
Het UWV heeft beoordeeld of eiser per 5 januari 2022 geschikt is voor alle bij de WIA-beoordeling geduide functies. Het UWV blijft bij het bestreden besluit. Er is geen reden om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts b&b. Er is in beroep geen medisch objectiveerbare informatie overgelegd waaruit blijkt dat de beperkingen per 5 januari 2022 zouden zijn toegenomen. De verzekeringsarts b&b heeft eiser onderzocht en heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding voor verdergaande beperkingen is.
4.3.
De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak volgt dat bij een ziekmelding na een WIA-beoordeling de volgende uitgangspunten worden gehanteerd. Onder “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19 van de ZW wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt uitzondering, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziekmeldt. Ziekengeld kan in zo’n geval worden geweigerd wanneer is voldaan aan de volgende twee, cumulatieve, voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%. Daarbij is niet van belang of de oorspronkelijke functies ten tijde van de latere ziekmelding nog in het CBBS aanwezig zijn. Evenmin is van belang of die functies ten tijde van de nieuwe ziekmelding op onderdelen qua belasting en/of beloning inmiddels zijn gewijzigd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht heeft geweigerd om per 5 januari 2022 een ZW-uitkering toe te kennen. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard, krijgt eiser geen proceskostenvergoeding. Ook krijgt eiser het griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier, op 10 november 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage wettelijk kader
De verzekerde die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek heeft recht op ziekengeld (artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW).
Onder “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19 van de ZW wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt uitzondering, wanneer de verzekerde – na een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de WIA of een EZWb – niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek meldt. Ziekengeld kan in zo’n geval worden geweigerd wanneer is voldaan aan de volgende twee, cumulatieve, voorwaarden:
1. van de oorspronkelijk bij de EZWb of WIA geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
2. op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de EZWb of WIA vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de EZWb of WIA geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%. Daarbij is niet van belang of de oorspronkelijke functies ten tijde van de latere ziekmelding nog in het CBBS aanwezig zijn. Evenmin is van belang of die functies ten tijde van de nieuwe ziekmelding op onderdelen qua belasting en/of beloning inmiddels zijn gewijzigd.
Zie de uitspraak van de CRvB van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.
Zie de uitspraken van de CRvB: ECLI:NL:CRVB:2022:2658 en ECLI:NL:CRVB:2022:2672.