Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-19
ECLI:NL:RBZWB:2023:7876
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
3,149 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer : C/02/410665 / JE RK 23-46
Datum uitspraak : 19 oktober 2023
Nadere beschikking van de kinderrechter over verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over de minderjarige:
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden in deze zaak aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. Smeulders-Martens te Raamsdonksveer,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
1Het verdere procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 juli 2023 en alle daarin genoemde stukken;
het op 29 september 2023 ingekomen e-mailbericht van de GI, met bijlagen.
1.2.
Op 11 oktober 2023 heeft de kinderrechter het verzoek, met gesloten deuren, nader mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en heeft de kinderrechter gehoord:
de moeder, bijgestaan door mr. Smeulders-Martens;
een vertegenwoordigster van de GI.
Hoewel daartoe correct opgeroepen, is de vader niet verschenen en dus ook niet gehoord.
Feiten
2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader is echter niet betrokken bij de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 juli 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] laatstelijk verlengd met ingang van 2 augustus 2023 tot 2 februari 2024. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van drie maanden met ingang van 2 augustus 2023 tot 2 november 2023. Het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is aangehouden tot de mondelinge behandeling van 11 oktober 2023.
2.3.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
3Het verzoek
3.1.
Aan de orde is nu nog het resterende deel van het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, te weten met ingang van 2 november 2023 tot 2 februari 2024.
4De standpunten
4.1.
Namens de GI is, samengevat, aangegeven dat de moeder sinds de vorige mondelinge behandeling in juli 2023 het contact en de samenwerking met de GI heeft verbroken. Daarnaast heeft er sinds medio juli 2023 geen contact meer plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige] , ondanks dat aan de moeder meerdere opties zijn aangeboden om het contact te laten plaatsvinden bij haar thuis of bij IKEA in [plaats] . De moeder lijkt het contact dan ook tegen te houden. Hierdoor is het perspectiefonderzoek vanuit William Schrikker Gezinsvormen niet van de grond gekomen. Doordat de moeder niet meewerkt aan het opstellen van een levensverhaal, kan ook de EMDR-therapie voor [minderjarige] niet starten. Ook zijn er zorgen ontstaan over de huisvesting en over het inkomen van de moeder. De uitkering van de moeder is namelijk stopgezet omdat wordt vermoed dat de moeder feitelijk niet meer in haar woning verblijft en vanwege acute financiële problemen is haar huur over de maand oktober 2023 niet betaald. Hoewel er een afspraak stond gepland bij de gemeente om de uitkering voor de moeder opnieuw aan te vragen, is de moeder daar boos weggelopen. De woningcorporatie heeft ook tevergeefs geprobeerd om met de moeder in gesprek te gaan. De GI heeft ten slotte van de vader vernomen dat de moeder, in strijd met de afspraken, contact heeft gehad met hem in aanwezigheid van [minderjarige] en dat zij zou hebben gevraagd om dat geheim te houden.
Volgens de GI heeft [minderjarige] veel last van de bestaande onduidelijkheid over haar perspectief. Nu zij geen contact heeft met de moeder, lijkt zij zich echter wel leeftijdsadequaat te ontwikkelen. Gelet op al het voorgaande heeft de GI begin augustus het besluit genomen dat het perspectief van [minderjarige] , de plaats waar zij verder zal opgroeien, niet meer bij de moeder is gelegen. In de resterende periode van de ondertoezichtstelling zal de GI onderzoeken of beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] noodzakelijk is of dat zij haar gezag kan behouden. Afgezien van de afgelopen drie maanden, heeft de moeder namelijk altijd goed meegewerkt en de nodige toestemming gegeven voor (gezags)beslissingen over [minderjarige] .
Om de zorgen weg te nemen en de situatie ten positieve te veranderen, vindt de GI het allereerst van belang dat de moeder de WMO-begeleiding weer zal accepteren. De GI stelt voor dat de WMO-begeleiding of de procesregisseur van de gemeente daartoe het initiatief zal nemen, aangezien de jeugdbeschermer bij de moeder vooral weerstand oproept. Daarnaast dient het contact tussen de moeder en [minderjarige] te worden hersteld. Zonder contact kan de interactie tussen de moeder en [minderjarige] namelijk niet worden beoordeeld. Van de moeder wordt dan ook verwacht dat zij aanwezig is wanneer dat van haar wordt verwacht en dat zij bereikbaar is voor de GI en voor de hulpverlening. Bij het contact(herstel) is de reactie van [minderjarige] leidend.
4.2.
Namens en door de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij zich refereert aan het oordeel van de kinderrechter voor wat betreft de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] .
De moeder stelt dat zij druk bezig is met het opnieuw aanvragen van haar uitkering. Zij betwist dat zij is benaderd door de woningbouw of door haar bewindvoerder. Het lukte de moeder niet om de contactafspraken na te komen, omdat zij geen auto meer heeft en omdat zij het niet in het belang van [minderjarige] vindt om langdurig met haar met het openbaar vervoer te reizen. Zij houdt het contact met [minderjarige] dan ook niet tegen. Zij vindt het naar eigen zeggen allemaal te onduidelijk. Zij heeft geen hoop meer op contact(herstel) met [minderjarige] , ook al wil de moeder dat graag.
De advocaat ziet bij de moeder geen onwil, maar onmacht. Het lukt de moeder niet om alles te bolwerken. Er komt veel op haar af. De advocaat stelt ook dat de moeder graag wil dat het contact tussen haar en [minderjarige] wordt hersteld. De advocaat ziet het contact(herstel) tussen hen als eerste stap. Ook moet er het een en ander worden uitgesproken onder leiding van de WMO-begeleiding. Wanneer daartoe een gesprek wordt gepland, dan is de advocaat bereid om de moeder daarvan op de hoogte te stellen.
5De nadere beoordeling
5.1
Op grond van artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
5.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, overweegt de kinderrechter dat de GI weliswaar heeft geprobeerd om in te zetten op een gefaseerde thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, maar dat de moeder na afloop van de vorige mondelinge behandeling in juli 2023 het contact en de samenwerking met de GI heeft verbroken. De moeder neemt haar telefoon niet op, zij belt niet terug, is niet thuis op afgesproken tijdstippen en zij verschijnt niet op afspraken, zo heeft de GI aangegeven. Ook heeft er sindsdien geen contact meer plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige] , ondanks dat er volgens de GI meerdere opties zijn aangeboden om die contacten te laten plaatsvinden en daarbij tegemoet komend aan de problemen die de moeder heeft met betrekking tot het vervoer. Als gevolg hiervan heeft het perspectiefonderzoek vanuit William Schrikker Gezinsvormen niet kunnen plaatsvinden. Doordat de moeder niet meewerkt, is ook de traumabehandeling voor [minderjarige] niet van de grond gekomen. Gelet hierop heeft de GI het besluit genomen dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder is gelegen.
5.3.
De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] nog steeds in het belang van haar verzorging en opvoeding noodzakelijk is (1:265b lid 1 BW). Aangezien de GI een besluit heeft genomen over het perspectief van [minderjarige] in die zin dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder is gelegen, ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek beperkt toe te wijzen en om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlenen voor de duur van acht weken, te weten tot 28 december 2023, en de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. De beslissing op het resterende deel van het verzoek zal dan worden aangehouden tot de mondelinge behandeling bij de meervoudige kamer van deze rechtbank op dinsdag 5 december 2023 om 11.00 uur.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 2 november 2023 tot 28 december 2023;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
verwijst deze zaak in de stand waarin deze zich nu bevindt naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en houdt het resterende deel van het verzoek aan tot de mondelinge behandeling op dinsdag 5 december 2023 om 11.00 uur, bij de meervoudige kamer van deze rechtbank, in het gerechtsgebouw aan de Stationslaan 10 te Breda, 4815 GW;
6.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die mondelinge behandeling voor de moeder, haar advocaat en voor de GI;
6.5.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2023 door mr. Bogaert, kinderrechter, bijgestaan door mr. Wallerbos als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.