Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-17
ECLI:NL:RBZWB:2023:7802
Strafrecht
Raadkamer
1,272 tokens
Dictum
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats]
wonende te [woonadres]
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. J. de Vries, advocaat te Amsterdam, op het adres: Falckstraat 15-29 1017 VV Amsterdam
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 2.432,10, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
te vermeerderen met de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift ad € 340,00 dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 1 december 2022;
de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie.
Op 3 augustus 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie, mr. M.E.W.G. Stals en mr. J. de Vries als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd de strafzaak tegen verzoeker is middels een sepot op 1 december 2022 geëindigd zonder de oplegging van een straf of maatregel of de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Verzoeker heeft ten gevolge van de verdenking schade geleden voor de aan hem verleende rechtsbijstand voor een bedrag van € 2.432,10 en verzoekt deze aan hem te vergoeden. Te vermeerderen met het forfaitaire bedrag voor het opstellen, indienen en in raadkamer bespreken van het verzoekschrift. In raadkamer heeft de advocaat hieraan toegevoegd dat door de verdediging meermaals (tevergeefs) is verzocht om de strafzaak te seponeren, maar het Openbaar Ministerie uiteindelijk enkel wegens de verzochte overlevering aan Turkije tot seponeren is overgegaan.
De officier van justitie refereert zich aan de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De rechtbank maakt uit het raadkamerdossier en het verhandelde in raadkamer op dat verzoeker werd verdacht van vernieling en belediging en dat daarvoor ook gronden aanwezig waren. De zaak is tweemaal op zitting aangebracht, maar ook weer ingetrokken door het openbaar ministerie. Er is namens verzoeker verzocht om de strafzaak te seponeren, maar daar is het openbaar ministerie niet toe overgegaan. Uiteindelijk heeft het openbaar ministerie de zaak wel geseponeerd, met als sepotreden dat de voorkeur wordt gegeven aan de berechting van verdachte in het buitenland. Dit betreft een beleidssepot, geen sepot omdat er onvoldoende bewijs tegen verzoeker zou zijn. Onder de genoemde omstandigheden acht de rechtbank geen gronden van billijkheid aanwezig om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand toe te wijzen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv af.
Deze beslissing is op 17 augustus 2023 gegeven door mr. M.H.M. Collombon, rechter, in tegenwoordigheid van J.H. Cornelissen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 augustus 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).