Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-11-07
ECLI:NL:RBZWB:2023:7749
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
2,291 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/415171 / JE RK 23-1860
Datum uitspraak: 7 november 2023
Beschikking verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING& JEUGDRECLASSERING
,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI),
betreffende
[minderjarige01]
, geboren op [geboortedatum01] 2019 te [geboorteplaats01] ,
hierna te noemen: [minderjarige01] ,
[minderjarige02]
, geboren op [geboortedatum02] 2020 te [geboorteplaats01] ,
hierna te noemen: [minderjarige02] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder01]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats01] ,
advocaat: mr. H. Goedegebure, te Middelburg,
[de vader01]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.C. Heijmann, te Papendrecht.
1
Het verloop van de procedure
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift van 20 oktober 2023 met bijlagen, binnengekomen bij de griffie op 20 oktober 2023;
- het e-mailbericht van de GI van 31 oktober 2023;
- het e-mailbericht met bijlage van mr. Goedegebure van 6 november 2023;
- het gewijzigde verzoekschrift van de GI van 6 november 2023;
- het e-mailbericht van mr. Heijmann van 6 november 2023.
Feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige01] en [minderjarige02] .
Bij beschikking van 8 november 2022 zijn [minderjarige01] en [minderjarige02] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van vier maanden, met ingang van 8 november 2022 en tot 8 maart 2023. In de genoemde beschikking is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige01] en [minderjarige02] in [gezinshuis01] te [plaats01] verleend voor de duur van vier maanden, met ingang van 8 november 2022 en tot 8 maart 2023. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
Bij beschikking van 3 maart 2023 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige01] en [minderjarige02] in [gezinshuis01] te [plaats01] verlengd met ingang van 8 maart 2023 en tot 8 april 2023, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van 7 april 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] verlengd met ingang van 8 april 2023 en tot 8 juli 2023. Het resterende deel van het verzoek is op dit punt aangehouden. In de genoemde beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige01] en [minderjarige02] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 8 april 2023 en tot 8 mei 2023.
Bij beschikking van 27 juni 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] voor de duur van drie maanden verlengd, met ingang van 8 juli 2023 en tot 8 oktober 2023, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek.
Bij beschikking van 5 oktober 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] toegewezen voor de resterende duur van een maand, te weten tot 8 november 2023.
[minderjarige01] en [minderjarige02] wonen bij hun moeder.
3
Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] te verlengen voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Uit het e-mailbericht van de GI van 31 oktober 2023 volgt (naar de kinderrechter begrijpt) dat de GI het verzoek heeft gewijzigd, in die zin dat wordt verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dit heeft de GI vervolgens bevestigd door op 6 november 2023 een gewijzigd verzoekschrift in te dienen, waarin wordt verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Beoordeling
Door de GI is bij het indienen van het voorliggende verzoek aangegeven dat zij geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling. Voorts heeft de GI in het verzoekschrift vermeld dat zowel de vader als de moeder instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] , alsmede dat zij afzien van een mondelinge behandeling van het verzoek.
De rechtbank heeft, mede gelet op de omstandigheid dat het vanwege de te late indiening van het verzoekschrift niet meer mogelijk is gebleken om de zaak voorafgaand aan de aflooptermijn van de huidige ondertoezichtstelling mondeling te behandelen, de GI verzocht om de beide ouders te vragen of zij instemmen met het verzoek en of zij een mondelinge behandeling van het verzoek wensen. Bij e-mailbericht van de 31 oktober heeft de GI laten weten het verzoek te wijzigen, in die zin dat er wordt verzocht om een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] voor de duur van zes maanden. Ook heeft de GI de e-mailberichten van de beide ouders waarin zij instemmen met het verzoek voor de duur van zes maanden in deze e-mail opgenomen. De ouders geven daarin allebei aan akkoord te zijn met het gewijzigde verzoek.
Vervolgens heeft de rechtbank via de e-mailberichten van 31 oktober 2023 de advocaat van de moeder, mr. Goedegebure en de advocaat van de vader, mr. Heijmann, gevraagd of zij instemmen met de schriftelijke afdoening van het voorliggende verzoek. Op 6 november 2023 heeft mr. Goedegebure per e-mail en per brief laten weten dat de moeder geen behoefte heeft aan een mondelinge behandeling van het verzoek en dat het verzoek schriftelijk kan worden afgedaan. Ook mr. Heijman heeft op 6 november 2023 per e-mail laten weten dat de vader instemt met het gewijzigde verzoek voor de duur van zes maanden.
Gelet daarop stelt de kinderrechter vast dat beide ouders in de gelegenheid zijn gesteld om te worden gehoord, maar daarvan geen gebruik willen maken. Op grond van de overgelegde stukken acht de kinderrechter een mondelinge behandeling niet nodig.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat er nog steeds concrete bedreigingen zijn in de ontwikkeling van [minderjarige01] en [minderjarige02] , zoals vermeld in het verzoekschrift. Gelet hierop is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling als bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] daarom voor de duur van zes maanden verlengen (artikel 1:260, eerste lid, BW), te weten met ingang van 8 november 2023 en tot 8 mei 2024.
De kinderrechter zal de beslissing, gelet op de aard van de maatregel, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast gevolgd moet worden, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige01] en [minderjarige02] voor de duur van zes maanden, met ingang van 8 november 2023 en tot 8 mei 2024.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Duinhof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2023, in aanwezigheid van mr. De Haas als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.