Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-31
ECLI:NL:RBZWB:2023:7726
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,004 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/3465 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.J.M. van Rijswijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, college.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 2 juni 2022 (bestreden besluit).
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door mr. C.C.J. Mouwen als kantoorgenoot van haar gemachtigde en namens het college mr. A.D.M. Rombouts.
Feiten
1. Eiseres ontvangt sinds 1 februari 2012 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Het college heeft onderzoek gedaan naar het recht op bijstand van eiseres. Tijdens dit onderzoek is informatie bij Marktplaats opgevraagd. Uit deze informatie bleek dat eiseres twee marktplaatsaccounts had en dat zij in de periode van 16 december 2015 tot en met 11 juni 2021 met deze accounts in totaal 2620 advertenties op Marktplaats heeft geplaatst.
Met het besluit van 27 juli 2021 heeft het college de inkomsten van eiseres uit de internethandel volledig in mindering gebracht op de uitkering voor de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2021. Er is sprake van een schending van de inlichtingenplicht doordat eiseres niet tijdig de inkomsten uit internethandel aan het college heeft doorgegeven.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Met het besluit van 6 september 2021 heeft het college het te veel aan verleende bijstand (€ 20.599,99) over de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2021 teruggevorderd van eiseres.
Met het besluit van 22 september 2021 heeft het college besloten om vanaf 2 september 2021 maandelijks een bedrag van € 53,94 in te houden op eiseres haar bijstandsuitkering.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 september 2021 en 22 september 2021.
Het besluit van 27 juli 2021 is met het besluit van 24 november 2021 (primair besluit I) door het college vervangen. Met dit besluit heeft het college de bijstandsuitkering van eiseres over de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2021 herzien, omdat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden doordat zij op geld waardeerbare activiteiten in de vorm van internethandel niet aan het college heeft gemeld.
Met het besluit van 25 november 2021 (primair besluit II) heeft het college het te veel aan verleende bijstand (€ 21.735,49) over de periode 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2021 teruggevorderd.
Met het besluit van 20 december 2021 (primair besluit III) heeft het college bepaald dat vanaf 1 november 2021 maandelijks een bedrag van € 53,94 op eiseres haar bijstandsuitkering wordt ingehouden.
Eiseres heeft op 4 januari 2022 bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten I en II.
Eiseres heeft op 26 januari 2022 bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit III.
Met het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Beroepsgronden
2. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat zij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, omdat het om incidentiele verkoop van privégoederen gaat. Subsidiair stelt zij dat een schending van de inlichtingenplicht kan worden hersteld door objectieve en verifieerbare gegevens te overleggen waaruit blijkt dat de verkoopactiviteiten aanzienlijk minder hebben opgebracht dan het teruggevorderde bedrag. Verder is eiseres van mening dat het wel degelijk alleen kleding van haar kleindochter, dochter, schoonzoon en haarzelf betreft. Daarnaast is eiseres het niet eens met het standpunt van het college dat geen sprake is van dubbele advertenties en vindt zij dat het geschatte aantal advertenties geen recht doet aan de feitelijke situatie. Eiseres stelt een deugdelijke administratie te hebben aangeleverd op grond waarvan kan worden vastgesteld in hoeverre zij in de periode in geding in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
Verweerschrift
3. Het college is van mening dat gelet op de omvang van het aantal advertenties geen sprake is van incidentiele verkoop via Marktplaats, maar van op geld waardeerbare activiteiten in de vorm van internethandel. Hierbij is ook van belang dat de kleding afkomstig is van derden. Eiseres heeft de inlichtingenplicht volgens het college geschonden door niet tijdig melding van de internethandel en de daaruit ontvangen inkomsten te maken. Ten slotte stelt het college dat de door eiseres aangeleverde stukken geen volledig beeld geven van de verkopen en opbrengsten van de periode in geding.
Wet- en regelgeving
4. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of het college het recht op uitkering over de periode
1 januari 2016 tot en met 30 juni 2021 (te beoordelen periode) terecht heeft herzien en de teveel betaalde bijstand (€ 21.735,49) terecht heeft teruggevorderd.
5.1
Herziening van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.
5.2
Het college heeft de bijstandsuitkering over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2021 herzien en het te veel aan verleende bijstand teruggevorderd, omdat eiseres op geld waardeerbare arbeid heeft verricht die in strijd met de inlichtingenplicht niet bij het college is gemeld. Het college heeft zijn conclusie dat eiseres op geld waardeerbare activiteiten in de vorm van internethandel heeft verricht gebaseerd op het uitgevoerde marktplaatsonderzoek.
Marktplaatsactiviteiten
6. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het voor ontvangers van een bijstandsuitkering niet verboden om goederen via internet te verkopen, op voorwaarde dat dit en de daaruit verkregen inkomsten op tijd worden gemeld aan het college. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat dat in beginsel niet hoeft te worden gemeld.
6.1
Volgens het college was in het geval van eiseres gelet op de aard, omvang en frequentie van de activiteiten op Marktplaats geen sprake van incidentele verkoop van privégoederen en heeft eiseres haar inlichtingenplicht geschonden door dat niet te melden.
6.2
Uit het Rapport uitkeringsfraude blijkt dat gedurende de beoordelingsperiode via de twee accounts van eiseres 2620 advertenties op Marktplaats zijn geplaatst. Daarin zijn verschillende soorten artikelen te koop aangeboden, maar met name baby- en kinderkleding. Gelet op de aard en omvang (2620 advertenties waarvan 2430 kledingadvertenties) van de activiteiten op Marktplaats en de lange periode (periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2021) waarin de advertenties zijn geplaatst, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake was van incidentele verkoop van privégoederen maar van op geld waardeerbare activiteiten.
6.3
Eiseres heeft betoogd dat alle kleding afkomstig is van haar kleindochter, dochter, schoonzoon en haarzelf. De gestelde herkomst van de goederen - wat daar ook van zij - maakt niet dat aan de omvang van de activiteiten geen betekenis meer toekomt.
6.4
Het had eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de activiteiten op Marktplaats van invloed konden zijn op (de omvang van) het recht op bijstand. Zij had deze activiteiten daarom destijds uit zichzelf moeten melden bij het college.
Conclusie
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier op 31 oktober 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Participatiewet (Pw)
Artikel 11, eerste lid
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 17, eerste lid
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 31, eerste lid
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden mede gerekend de middelen die ten behoeve van het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting, bedoeld in hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.
Artikel 32, eerste lid
Onder inkomen wordt verstaan de op grond van artikel 31 in aanmerking genomen middelen voorzover deze:
a. betreffen inkomsten uit of in verband met arbeid, inkomsten uit vermogen, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, een kostenvergoeding als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel k, inkomsten uit verhuur, onderverhuur of het hebben van een of meer kostgangers, socialezekerheidsuitkeringen, uitkeringen tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.
Artikel 34
1. Onder vermogen wordt verstaan:
de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering;
middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voorzover deze geen inkomen betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.
2. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen:
bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voorzover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in het derde lid;
spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen;
het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voorzover dit minder bedraagt dan € 64.100,00;
vergoedingen voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen l en m.
3. De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens is:
voor een alleenstaande: € 7.605,00;
voor een alleenstaande ouder: € 15.210,00;
voor de gehuwden tezamen: € 15.210,00.
4. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op bezittingen die worden verworven in de periode waarover algemene bijstand is toegekend en op middelen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat de van toepassing zijnde vermogensgrens, bedoeld in het derde lid, daarbij wordt verminderd met het vermogen dat:
bij aanvang van de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van het tweede lid, onderdeel b;
tijdens de bijstandsverlening niet in aanmerking is genomen op grond van dit lid.
Artikel 54, derde lid
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot
toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting,
bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste lid
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 19 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:573.