Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-17
ECLI:NL:RBZWB:2023:7235
Civiel recht; Personen- en familierecht
Rekestprocedure
14,798 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/409934 / JE RK 23-905
Datum uitspraak: 17 oktober 2023
Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank over geschillenregeling in het kader van ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Gecertificeerde Instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende in deze zaak aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Nederlof te Tilburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
het op 19 mei 2023 binnengekomen verzoekschrift, met bijlagen;
het op 14 september 2023 binnengekomen e-mailbericht van de GI, met bijlagen;
het op 15 september 2023 binnengekomen verweerschrift, met bijlage;
de tijdens de mondelinge behandeling namens de GI overgelegde nadere stukken.
1.2.
Op 19 september 2023 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en heeft de rechtbank gehoord:
de moeder, bijgestaan door mr. Nederlof;
een vertegenwoordigster namens de GI;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.
Daarnaast heeft de rechtbank, op verzoek van mr. Nederlof en omdat de andere partijen hiertegen geen bezwaar hebben geuit, bijzondere toestemming verleend aan een stagiaire van mr. Nederlof om de mondelinge behandeling als toehoorder bij te wonen.
Feiten
2.1.
De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 december 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 12 december 2022 tot 12 maart 2023. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 12 december 2022 tot 26 december 2022, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is nadien verlengd.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 3 maart 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 maart 2023 tot 3 maart 2024. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in [locatie] te [plaats] verlengd met ingang van 12 maart 2023 tot 12 december 2023.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 3 juli 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend, met ingang van 3 juli 2023 tot 3 maart 2024.
2.5.
Op basis van laatstgenoemde beschikking verblijft [minderjarige] momenteel in een pleeggezin.
3De verzoeken
3.1.
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW):
te verklaren dat de GI op goede gronden is gekomen tot het besluit om [minderjarige] niet meer bij de ouder(s) terug te plaatsen;
te bepalen dat de doelen van de ondertoezichtstelling vanaf heden niet meer gericht zijn op het toewerken naar een thuisplaatsing;
dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt.
3.2.
De moeder voert verweer tegen de verzoeken van de GI en zij verzoekt om de GI niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel die verzoeken af te wijzen.
3.3.
Daarnaast verzoekt de moeder bij wijze van zelfstandige verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
de GI te bevelen het perspectiefbesluit te heroverwegen in die zin dat het perspectief van [minderjarige] bij de moeder dient te liggen;
een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] en de moeder het contact op een rustig en consequent tempo kunnen opbouwen, zodat daadwerkelijk toegewerkt kan worden naar een thuisplaatsing, waarbij de moeder in de eerste vier weken na dagtekening van deze beschikking iedere week één uur contact heeft, welk contact zal plaatsvinden bij het gezinshuis en, nadat deze vier weken zijn verstreken, dat de contactregeling wordt uitgebreid naar twee uren aaneengesloten per week, welk contact zal plaatsvinden bij het gezinshuis en, nadat er acht weken zijn verstreken, een contactregeling vast te stellen in die zin dat er sprake zal zijn van onbegeleid contact bij de moeder gedurende vier uren per week, waarbij [minderjarige] door het gezinshuis wordt gebracht en [minderjarige] door de moeder zal worden teruggebracht, al dan niet een omgangsregeling door de rechtbank in goede justitie te bepalen.
Tijdens de mondelinge behandeling is voormeld zelfstandig verzoek van de moeder om een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] te bepalen mondeling gewijzigd in die zin dat de omgangsmomenten niet plaatsvinden in het gezinshuis en [minderjarige] niet wordt gehaald en gebracht door het gezinshuis maar in en door het pleeggezin.
Subsidiair:
ingevolge artikel 810a Rv een deskundigenonderzoek te gelasten ter beantwoording van de nog te formuleren vragen aan de zijde van de rechtbank en de moeder en de GI te bevelen het perspectiefbesluit aan te houden en te heroverwegen na het deskundigenonderzoek.
4De standpunten
4.1.
Namens de GI is, samengevat, aangevoerd dat de moeder kampt met een psychische stoornis en dat zij onder invloed daarvan jarenlang onbeschikbaar en onbereikbaar was en grenzeloos gedrag vertoonde. Daarnaast stond zij niet open voor de noodzakelijk geachte persoonlijke hulpverlening, waaronder een ggz-behandeling, en wilde zij geen antipsychotica innemen. Hoewel de moeder bij [minderjarige] in het gezinshuis geplaatst kon worden, is die plaatsing niet doorgegaan omdat zij haar telefoon niet wilde afgeven. Naar aanleiding hiervan zag de GI geen mogelijkheden meer om toe te werken naar thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De GI heeft daarom medio mei 2023 het besluit genomen dat het perspectief van [minderjarige] niet langer bij de moeder is gelegen en de voorliggende verzoeken bij de rechtbank ingediend.
De GI stelt dat de moeder vanaf dat moment weer is aangehaakt. Zij is inmiddels weer bereikbaar en zij accepteert de noodzakelijk geachte hulpverlening, hoewel de behandelaren vanuit het F-ACT team onlangs hebben aangegeven dat de moeder in strijd met het advies van de behandelaren is gestopt met het innemen van haar medicatie. Met het oog op de positieve ontwikkelingen heeft de GI een voorlopige omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] bepaald op basis waarvan zij eenmaal per drie weken omgang met elkaar hebben. Echter, gebleken is dat [minderjarige] na afloop van de omgangsmomenten met zijn moeder gedurende meerdere dagen heftig gedrag vertoont, zoals bonken met zijn hoofd en het bijten van zijn pleegzusje. Ook zal het volgens de GI schadelijk voor [minderjarige] zijn wanneer hij opnieuw van verblijfplaats zou moeten wisselen. Gelet hierop handhaaft de GI haar besluit dat het perspectief van [minderjarige] niet langer bij de moeder is gelegen en ziet zij geen aanleiding om dit besluit te heroverwegen. De positieve ontwikkelingen in de afgelopen maanden hebben er wel toe geleid dat de GI nu van mening is dat beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] mogelijk niet noodzakelijk zal zijn. De GI heeft haar verzoek aan de Raad om een onderzoek in te stellen naar de noodzaak van gezagsbeëindiging daarom uitgesteld.
De GI verzoekt om het zelfstandige verzoek van de moeder om een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen af te wijzen en in plaats daarvan de regie over de frequentie van die regeling bij de GI te beleggen, zodat de GI die regeling indien mogelijk kan uitbreiden en indien nodig kan inperken.
4.2.
Namens en door de moeder is, samengevat, aangevoerd dat de GI met het oog op de recente uitspraak van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) niet-ontvankelijk is in haar verzoek om te bepalen dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder is gelegen. De GI is, naar de mening van de moeder, ook niet-ontvankelijk in haar verzoek om te bepalen dat in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet meer hoeft te worden toegewerkt naar thuisplaatsing van [minderjarige] , omdat dat verzoek in de praktijk dezelfde gevolgen heeft als voormeld verzoek om het perspectief van [minderjarige] te bepalen.
Voor zover de rechtbank wel aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van de GI toekomt, betwist de moeder dat zij over onvoldoende opvoedvaardigheden beschikt om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Het perspectiefbesluit is naar de mening van de moeder ondeugdelijk en onvoldoende gemotiveerd, omdat de GI geen perspectiefonderzoek heeft laten verrichten en de GI in het kader van de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet heeft ingezet op terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, terwijl dat bij uithuisplaatsing van een kind juist het hoofddoel dient te zijn.
Beoordeling
5.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
5.2.
Artikel 1:262b BW bepaalt dat geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, uitgezonderd, aan de kinderrechter kunnen worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van onder meer de GI een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. De kinderrechter beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.
Toetsing perspectiefbesluit en bepaling perspectief
5.3.
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de GI een geschil over het opvoedperspectief van de kinderen, oftewel directe toetsing van een in dat kader genomen perspectiefbesluit, kan voorleggen aan de rechtbank op grond van artikel 1:262b BW.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat een expliciete regeling om een perspectiefbesluit door de rechter te laten toetsen op dit moment ontbreekt en de rechtspraak over de toetsing van perspectiefbesluiten door verschillende rechtbanken en gerechtshoven verdeeld is geweest. Echter, onlangs heeft de Hoge Raad, in zijn arrest van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148), hierover duidelijkheid geschapen en geoordeeld dat een perspectiefbesluit niet via de geschillenregeling van artikel 1:262b BW aan de rechtbank kan worden voorgelegd. Het is aan de wetgever, aldus de Hoge Raad, om een zelfstandige rechtsingang te creëren. Volgens de Hoge Raad (in het bijzonder rechtsoverweging 3.4.4) is de geschillenregeling, blijkens de wetsgeschiedenis, bedoeld voor het oplossen van problemen en het overbruggen van verschillen van mening tussen ouders, kinderen, pleegouders of zorgaanbieders, opdat de uitvoering van de ondertoezichtstelling verbeterd kan worden. De door de kinderrechter in dat verband te nemen beslissingen hebben een voorlopig en ordenend karakter. Het is ook hierin gelegen dat tegen deze beslissingen geen hoger beroep openstaat (artikel 807 Rv). Uit het wettelijk stelsel, in het bijzonder de verhouding tussen de artikelen 1:255, 1:265b en 1:266 BW, volgt verder dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit en hetgeen daarin is bepaald over de aanvaardbare termijn als zodanig aan de rechter ter beoordeling kunnen worden voorgelegd. Volgens de Hoge Raad bieden de tekst van artikel 1:262b BW en de toelichting daarbij onvoldoende grond voor de rechtsopvatting dat een perspectiefbesluit via de geschillenregeling zelfstandig ter beoordeling, goedkeuring of bekrachtiging aan de kinderrechter kan worden voorgelegd. Dit laat onverlet dat de rechter een perspectiefbesluit in voorkomend geval zal moeten beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige, aldus de Hoge Raad (rechtsoverweging 3.5.1).
5.5.
De rechtbank zal de GI, gelet op de inhoud van het voormelde arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023, in haar (eerste) verzoek, te weten om te verklaren dat de GI op goede gronden is gekomen tot het besluit om [minderjarige] niet meer bij de ouder(s) terug te plaatsen, waarin de directe toetsing van het perspectief voorligt, niet-ontvankelijk verklaren.
5.6.
Op dezelfde gronden zal de rechtbank ook de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar zelfstandige verzoek om de GI te bevelen het perspectiefbesluit te heroverwegen in die zin dat het perspectief van [minderjarige] bij de moeder dient te liggen.
Bepaling dat niet langer hoeft te worden gewerkt aan de doelen behorende bij de ondertoezichtstelling
5.7.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de GI ontvankelijk is in de overige verzoeken die zij aan de rechtbank heeft voorgelegd, te weten het verzoek om te bepalen dat de doelen van de ondertoezichtstelling niet langer zullen zijn gericht op thuisplaatsing van [minderjarige] , dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt. De rechtbank overweegt dat de moeder het niet eens is met het wijzigen van de doelen van de ondertoezichtstelling, zoals door de GI is verzocht, en dat dit verschil van mening de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] betreft en belemmert.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank dient de GI de mogelijkheid te hebben om een geschil over de doelen van de ondertoezichtstelling aan de rechter voor te leggen, omdat de door de GI gewenste wijziging van de doelen van de ondertoezichtstelling een ingrijpende beslissing over de verdere uitvoering van de ondertoezichtstelling betreft, die in ieder geval nog tot 3 maart 2024 duurt. Gelet hierop acht de rechtbank de GI ontvankelijk in haar verzoeken onder het tweede en derde gedachtestreepje, zoals hiervoor uiteengezet onder rechtsoverweging 3.1.
5.9.
De rechtbank stelt vast dat overeenstemming tussen de GI en de moeder over het geschil niet mogelijk is gebleken en zij zal daarom overgaan tot het inhoudelijk beoordelen van het geschil en vervolgens daarop beslissen.
5.10.
Voor de beantwoording van de vraag of de doelen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet langer dienen te zijn gericht op thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, overweegt de rechtbank als volgt.
5.11.
Vooropgesteld vindt de rechtbank het positief dat de moeder sinds medio mei 2023 beter bereikbaar is en ook in contact is met de GI en de hulpverlening. Hoewel het valt te begrijpen dat de GI met het oog op die positieve ontwikkelingen en het ingrijpende karakter van een gezagsbeëindigende maatregel heeft besloten om de Raad vooralsnog niet te verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de noodzaak van beëindiging van het gezag van de moeder, blijft de onduidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] hiermee bestaan en dat is niet in zijn belang. Om de onzekerheid bij [minderjarige] (en de moeder) weg te nemen over de vraag waar hij verder zal opgroeien, heeft de GI medio mei 2023 het perspectiefbesluit genomen, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder is gelegen. Doordat de rechtbank, zoals zij hiervoor heeft overwogen, op grond van de geschillenregeling ex. artikel 1:262b BW geen mogelijkheid heeft om het perspectief(besluit) direct te toetsen en zij zich hierover in zoverre enkel kan uitlaten bij de beoordeling van een eventueel verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] , wordt die beslissing nu vooruitgeschoven, in ieder geval voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] , te weten tot uiterlijk 3 maart 2024.
5.12.
De rechtbank overweegt dat bij de uitplaatsing van minderjarigen als uitgangspunt geldt dat er moet worden ingezet op terugplaatsing van de minderjarige(n) bij (een van) de ouder(s). Indien de rechtbank het verzoek van de GI honoreert en zij zal bepalen dat de doelen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet langer zullen zijn gericht op thuisplaatsing van [minderjarige] , zal er in de praktijk niet langer door de GI worden ingezet op thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, op het verbeteren van de thuissituatie van de moeder en op de verdere uitbreiding van de contacten tussen [minderjarige] en de moeder. Daarentegen zal er worden ingezet op de situatie waarin het perspectief van [minderjarige] elders is gelegen, dus op het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders en op het vormgeven van de rol van de moeder als ‘ouder op afstand’.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verklaart de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek om te verklaren dat zij op goede gronden is gekomen tot het besluit om [minderjarige] niet meer bij de ouder(s) terug te plaatsen;
6.2.
wijst het verzoek van de GI voor het overige af;
6.3.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar (primaire) zelfstandige verzoek om de GI te bevelen om het perspectiefbesluit te heroverwegen in die zin dat het perspectief van [minderjarige] bij de moeder dient te liggen;
6.4.
bepaalt dat de moeder en de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] eenmaal per drie weken gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar, waarbij de regie over de frequentie, vorm en duur daarvan bij de GI wordt belegd;
6.5.
wijst het (primaire) zelfstandige verzoek van de moeder over omgang voor het overige af;
6.6.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar (subsidiaire) zelfstandige verzoek om een deskundigenonderzoek te gelasten.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2023 door mr. Van Term, voorzitter, mr. Jansen en mr. De Jong, allen kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Op grond van artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen een beschikking ingevolge artikel 1:262b BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
Voor het overige kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:
door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/409934 / JE RK 23-905
Datum uitspraak: 17 oktober 2023
Beschikking van de meervoudige kamer van de rechtbank over geschillenregeling in het kader van ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Gecertificeerde Instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over de minderjarige:
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende in deze zaak aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. J. Nederlof te Tilburg.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
het op 19 mei 2023 binnengekomen verzoekschrift, met bijlagen;
het op 14 september 2023 binnengekomen e-mailbericht van de GI, met bijlagen;
het op 15 september 2023 binnengekomen verweerschrift, met bijlage;
de tijdens de mondelinge behandeling namens de GI overgelegde nadere stukken.
1.2.
Op 19 september 2023 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, mondeling behandeld. Bij die behandeling zijn verschenen en heeft de rechtbank gehoord:
de moeder, bijgestaan door mr. Nederlof;
een vertegenwoordigster namens de GI;
- een vertegenwoordigster namens de Raad.
Daarnaast heeft de rechtbank, op verzoek van mr. Nederlof en omdat de andere partijen hiertegen geen bezwaar hebben geuit, bijzondere toestemming verleend aan een stagiaire van mr. Nederlof om de mondelinge behandeling als toehoorder bij te wonen.
Feiten
2.1.
De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 12 december 2022 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 12 december 2022 tot 12 maart 2023. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 12 december 2022 tot 26 december 2022, onder aanhouding van het resterende deel van het verzoek. De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] is nadien verlengd.
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 3 maart 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 3 maart 2023 tot 3 maart 2024. Daarnaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in [locatie] te [plaats] verlengd met ingang van 12 maart 2023 tot 12 december 2023.
2.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 3 juli 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend, met ingang van 3 juli 2023 tot 3 maart 2024.
2.5.
Op basis van laatstgenoemde beschikking verblijft [minderjarige] momenteel in een pleeggezin.
3De verzoeken
3.1.
De GI verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad, om op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW):
te verklaren dat de GI op goede gronden is gekomen tot het besluit om [minderjarige] niet meer bij de ouder(s) terug te plaatsen;
te bepalen dat de doelen van de ondertoezichtstelling vanaf heden niet meer gericht zijn op het toewerken naar een thuisplaatsing;
dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt.
3.2.
De moeder voert verweer tegen de verzoeken van de GI en zij verzoekt om de GI niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken dan wel die verzoeken af te wijzen.
3.3.
Daarnaast verzoekt de moeder bij wijze van zelfstandige verzoeken, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
de GI te bevelen het perspectiefbesluit te heroverwegen in die zin dat het perspectief van [minderjarige] bij de moeder dient te liggen;
een omgangsregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] en de moeder het contact op een rustig en consequent tempo kunnen opbouwen, zodat daadwerkelijk toegewerkt kan worden naar een thuisplaatsing, waarbij de moeder in de eerste vier weken na dagtekening van deze beschikking iedere week één uur contact heeft, welk contact zal plaatsvinden bij het gezinshuis en, nadat deze vier weken zijn verstreken, dat de contactregeling wordt uitgebreid naar twee uren aaneengesloten per week, welk contact zal plaatsvinden bij het gezinshuis en, nadat er acht weken zijn verstreken, een contactregeling vast te stellen in die zin dat er sprake zal zijn van onbegeleid contact bij de moeder gedurende vier uren per week, waarbij [minderjarige] door het gezinshuis wordt gebracht en [minderjarige] door de moeder zal worden teruggebracht, al dan niet een omgangsregeling door de rechtbank in goede justitie te bepalen.
Tijdens de mondelinge behandeling is voormeld zelfstandig verzoek van de moeder om een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] te bepalen mondeling gewijzigd in die zin dat de omgangsmomenten niet plaatsvinden in het gezinshuis en [minderjarige] niet wordt gehaald en gebracht door het gezinshuis maar in en door het pleeggezin.
Subsidiair:
ingevolge artikel 810a Rv een deskundigenonderzoek te gelasten ter beantwoording van de nog te formuleren vragen aan de zijde van de rechtbank en de moeder en de GI te bevelen het perspectiefbesluit aan te houden en te heroverwegen na het deskundigenonderzoek.
4De standpunten
4.1.
Namens de GI is, samengevat, aangevoerd dat de moeder kampt met een psychische stoornis en dat zij onder invloed daarvan jarenlang onbeschikbaar en onbereikbaar was en grenzeloos gedrag vertoonde. Daarnaast stond zij niet open voor de noodzakelijk geachte persoonlijke hulpverlening, waaronder een ggz-behandeling, en wilde zij geen antipsychotica innemen. Hoewel de moeder bij [minderjarige] in het gezinshuis geplaatst kon worden, is die plaatsing niet doorgegaan omdat zij haar telefoon niet wilde afgeven. Naar aanleiding hiervan zag de GI geen mogelijkheden meer om toe te werken naar thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. De GI heeft daarom medio mei 2023 het besluit genomen dat het perspectief van [minderjarige] niet langer bij de moeder is gelegen en de voorliggende verzoeken bij de rechtbank ingediend.
De GI stelt dat de moeder vanaf dat moment weer is aangehaakt. Zij is inmiddels weer bereikbaar en zij accepteert de noodzakelijk geachte hulpverlening, hoewel de behandelaren vanuit het F-ACT team onlangs hebben aangegeven dat de moeder in strijd met het advies van de behandelaren is gestopt met het innemen van haar medicatie. Met het oog op de positieve ontwikkelingen heeft de GI een voorlopige omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] bepaald op basis waarvan zij eenmaal per drie weken omgang met elkaar hebben. Echter, gebleken is dat [minderjarige] na afloop van de omgangsmomenten met zijn moeder gedurende meerdere dagen heftig gedrag vertoont, zoals bonken met zijn hoofd en het bijten van zijn pleegzusje. Ook zal het volgens de GI schadelijk voor [minderjarige] zijn wanneer hij opnieuw van verblijfplaats zou moeten wisselen. Gelet hierop handhaaft de GI haar besluit dat het perspectief van [minderjarige] niet langer bij de moeder is gelegen en ziet zij geen aanleiding om dit besluit te heroverwegen. De positieve ontwikkelingen in de afgelopen maanden hebben er wel toe geleid dat de GI nu van mening is dat beëindiging van het gezag van de moeder over [minderjarige] mogelijk niet noodzakelijk zal zijn. De GI heeft haar verzoek aan de Raad om een onderzoek in te stellen naar de noodzaak van gezagsbeëindiging daarom uitgesteld.
De GI verzoekt om het zelfstandige verzoek van de moeder om een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen af te wijzen en in plaats daarvan de regie over de frequentie van die regeling bij de GI te beleggen, zodat de GI die regeling indien mogelijk kan uitbreiden en indien nodig kan inperken.
4.2.
Namens en door de moeder is, samengevat, aangevoerd dat de GI met het oog op de recente uitspraak van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) niet-ontvankelijk is in haar verzoek om te bepalen dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder is gelegen. De GI is, naar de mening van de moeder, ook niet-ontvankelijk in haar verzoek om te bepalen dat in het kader van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet meer hoeft te worden toegewerkt naar thuisplaatsing van [minderjarige] , omdat dat verzoek in de praktijk dezelfde gevolgen heeft als voormeld verzoek om het perspectief van [minderjarige] te bepalen.
Voor zover de rechtbank wel aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van de GI toekomt, betwist de moeder dat zij over onvoldoende opvoedvaardigheden beschikt om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Het perspectiefbesluit is naar de mening van de moeder ondeugdelijk en onvoldoende gemotiveerd, omdat de GI geen perspectiefonderzoek heeft laten verrichten en de GI in het kader van de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet heeft ingezet op terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, terwijl dat bij uithuisplaatsing van een kind juist het hoofddoel dient te zijn.
Beoordeling
5.1.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, overweegt de rechtbank als volgt.
5.2.
Artikel 1:262b BW bepaalt dat geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen, die omtrent gedragingen als bedoeld in artikel 4.2.1 van de Jeugdwet, uitgezonderd, aan de kinderrechter kunnen worden voorgelegd. De kinderrechter neemt op verzoek van onder meer de GI een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. De kinderrechter beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.
Toetsing perspectiefbesluit en bepaling perspectief
5.3.
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is of de GI een geschil over het opvoedperspectief van de kinderen, oftewel directe toetsing van een in dat kader genomen perspectiefbesluit, kan voorleggen aan de rechtbank op grond van artikel 1:262b BW.
5.4.
De rechtbank stelt voorop dat een expliciete regeling om een perspectiefbesluit door de rechter te laten toetsen op dit moment ontbreekt en de rechtspraak over de toetsing van perspectiefbesluiten door verschillende rechtbanken en gerechtshoven verdeeld is geweest. Echter, onlangs heeft de Hoge Raad, in zijn arrest van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148), hierover duidelijkheid geschapen en geoordeeld dat een perspectiefbesluit niet via de geschillenregeling van artikel 1:262b BW aan de rechtbank kan worden voorgelegd. Het is aan de wetgever, aldus de Hoge Raad, om een zelfstandige rechtsingang te creëren. Volgens de Hoge Raad (in het bijzonder rechtsoverweging 3.4.4) is de geschillenregeling, blijkens de wetsgeschiedenis, bedoeld voor het oplossen van problemen en het overbruggen van verschillen van mening tussen ouders, kinderen, pleegouders of zorgaanbieders, opdat de uitvoering van de ondertoezichtstelling verbeterd kan worden. De door de kinderrechter in dat verband te nemen beslissingen hebben een voorlopig en ordenend karakter. Het is ook hierin gelegen dat tegen deze beslissingen geen hoger beroep openstaat (artikel 807 Rv). Uit het wettelijk stelsel, in het bijzonder de verhouding tussen de artikelen 1:255, 1:265b en 1:266 BW, volgt verder dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit en hetgeen daarin is bepaald over de aanvaardbare termijn als zodanig aan de rechter ter beoordeling kunnen worden voorgelegd. Volgens de Hoge Raad bieden de tekst van artikel 1:262b BW en de toelichting daarbij onvoldoende grond voor de rechtsopvatting dat een perspectiefbesluit via de geschillenregeling zelfstandig ter beoordeling, goedkeuring of bekrachtiging aan de kinderrechter kan worden voorgelegd. Dit laat onverlet dat de rechter een perspectiefbesluit in voorkomend geval zal moeten beoordelen in het verband van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige, aldus de Hoge Raad (rechtsoverweging 3.5.1).
5.5.
De rechtbank zal de GI, gelet op de inhoud van het voormelde arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023, in haar (eerste) verzoek, te weten om te verklaren dat de GI op goede gronden is gekomen tot het besluit om [minderjarige] niet meer bij de ouder(s) terug te plaatsen, waarin de directe toetsing van het perspectief voorligt, niet-ontvankelijk verklaren.
5.6.
Op dezelfde gronden zal de rechtbank ook de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar zelfstandige verzoek om de GI te bevelen het perspectiefbesluit te heroverwegen in die zin dat het perspectief van [minderjarige] bij de moeder dient te liggen.
Bepaling dat niet langer hoeft te worden gewerkt aan de doelen behorende bij de ondertoezichtstelling
5.7.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de GI ontvankelijk is in de overige verzoeken die zij aan de rechtbank heeft voorgelegd, te weten het verzoek om te bepalen dat de doelen van de ondertoezichtstelling niet langer zullen zijn gericht op thuisplaatsing van [minderjarige] , dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank in het belang van [minderjarige] wenselijk voorkomt. De rechtbank overweegt dat de moeder het niet eens is met het wijzigen van de doelen van de ondertoezichtstelling, zoals door de GI is verzocht, en dat dit verschil van mening de uitvoering van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] betreft en belemmert.
5.8.
Naar het oordeel van de rechtbank dient de GI de mogelijkheid te hebben om een geschil over de doelen van de ondertoezichtstelling aan de rechter voor te leggen, omdat de door de GI gewenste wijziging van de doelen van de ondertoezichtstelling een ingrijpende beslissing over de verdere uitvoering van de ondertoezichtstelling betreft, die in ieder geval nog tot 3 maart 2024 duurt. Gelet hierop acht de rechtbank de GI ontvankelijk in haar verzoeken onder het tweede en derde gedachtestreepje, zoals hiervoor uiteengezet onder rechtsoverweging 3.1.
5.9.
De rechtbank stelt vast dat overeenstemming tussen de GI en de moeder over het geschil niet mogelijk is gebleken en zij zal daarom overgaan tot het inhoudelijk beoordelen van het geschil en vervolgens daarop beslissen.
5.10.
Voor de beantwoording van de vraag of de doelen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet langer dienen te zijn gericht op thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, overweegt de rechtbank als volgt.
5.11.
Vooropgesteld vindt de rechtbank het positief dat de moeder sinds medio mei 2023 beter bereikbaar is en ook in contact is met de GI en de hulpverlening. Hoewel het valt te begrijpen dat de GI met het oog op die positieve ontwikkelingen en het ingrijpende karakter van een gezagsbeëindigende maatregel heeft besloten om de Raad vooralsnog niet te verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de noodzaak van beëindiging van het gezag van de moeder, blijft de onduidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] hiermee bestaan en dat is niet in zijn belang. Om de onzekerheid bij [minderjarige] (en de moeder) weg te nemen over de vraag waar hij verder zal opgroeien, heeft de GI medio mei 2023 het perspectiefbesluit genomen, inhoudende dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder is gelegen. Doordat de rechtbank, zoals zij hiervoor heeft overwogen, op grond van de geschillenregeling ex. artikel 1:262b BW geen mogelijkheid heeft om het perspectief(besluit) direct te toetsen en zij zich hierover in zoverre enkel kan uitlaten bij de beoordeling van een eventueel verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] , wordt die beslissing nu vooruitgeschoven, in ieder geval voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] , te weten tot uiterlijk 3 maart 2024.
5.12.
De rechtbank overweegt dat bij de uitplaatsing van minderjarigen als uitgangspunt geldt dat er moet worden ingezet op terugplaatsing van de minderjarige(n) bij (een van) de ouder(s). Indien de rechtbank het verzoek van de GI honoreert en zij zal bepalen dat de doelen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] niet langer zullen zijn gericht op thuisplaatsing van [minderjarige] , zal er in de praktijk niet langer door de GI worden ingezet op thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, op het verbeteren van de thuissituatie van de moeder en op de verdere uitbreiding van de contacten tussen [minderjarige] en de moeder. Daarentegen zal er worden ingezet op de situatie waarin het perspectief van [minderjarige] elders is gelegen, dus op het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders en op het vormgeven van de rol van de moeder als ‘ouder op afstand’.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verklaart de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek om te verklaren dat zij op goede gronden is gekomen tot het besluit om [minderjarige] niet meer bij de ouder(s) terug te plaatsen;
6.2.
wijst het verzoek van de GI voor het overige af;
6.3.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar (primaire) zelfstandige verzoek om de GI te bevelen om het perspectiefbesluit te heroverwegen in die zin dat het perspectief van [minderjarige] bij de moeder dient te liggen;
6.4.
bepaalt dat de moeder en de [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] eenmaal per drie weken gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar, waarbij de regie over de frequentie, vorm en duur daarvan bij de GI wordt belegd;
6.5.
wijst het (primaire) zelfstandige verzoek van de moeder over omgang voor het overige af;
6.6.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar (subsidiaire) zelfstandige verzoek om een deskundigenonderzoek te gelasten.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2023 door mr. Van Term, voorzitter, mr. Jansen en mr. De Jong, allen kinderrechters, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
Op grond van artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen een beschikking ingevolge artikel 1:262b BW geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
Voor het overige kan hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld:
door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Beoordeling
Hoe langer die situatie voortduurt, hoe sterker [minderjarige] zich zal hechten aan zijn pleegouders en, gelet op de aanvaardbare termijn waarin [minderjarige] onduidelijkheid kan verdragen over zijn perspectief, hoe moeilijker het zal worden om alsnog in te zetten op terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Wanneer de GI in de toekomst alsnog aan de Raad zal verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel betreffende het gezag van de moeder over [minderjarige] en de Raad een daartoe strekkend verzoek bij de rechtbank zal indienen, zal een thuisplaatsing dan ook zeer waarschijnlijk niet (meer) mogelijk zijn. De rechtbank zal dan voor een voldongen feit worden gesteld. Het tijdsverloop zal er dan vermoedelijk toe hebben geleid dat (toewerken naar) een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet meer in zijn belang en zelfs schadelijk zal zijn.
5.13.
De rechtbank overweegt tot slot dat het bepalen dat de doelen van de ondertoezichtstelling niet langer zullen zijn gericht op thuisplaatsing van een minderjarige wat haar betreft niet altijd (ook) een perspectiefbepaling inhoudt. Dit zou bijvoorbeeld anders zijn in het geval dat een verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging op korte termijn door de rechtbank zal worden behandeld en de GI verzoekt om te bepalen dat er tijdelijk ter overbrugging van die periode, dus bij wijze van ordemaatregel, niet hoeft te worden ingezet op thuisplaatsing van de minderjarige(n) bij (een van) de ouder(s) wanneer dat in het belang van de minderjarige(n) noodzakelijk wordt geacht.
5.14.
Wanneer de rechtbank nu zou besluiten dat er gedurende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] niet langer hoeft te worden toegewerkt naar thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en de GI tegelijkertijd geen stappen zet om de Raad te verzoeken om een onderzoek te verrichten naar een gezagsbeëindigende maatregel (en daarmee naar het perspectief van [minderjarige] ), wordt de moeder bovendien geconfronteerd met een rechterlijke beslissing waartegen op grond van artikel 807 Rv geen hoger beroep openstaat. De rechtbank acht die situatie, gelet op het ingrijpende karakter daarvan, zeer onwenselijk.
5.15.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in strijd met het belang van [minderjarige] om op dit moment te bepalen dat de doelen van de ondertoezichtstelling niet langer zullen zijn gericht op de thuisplaatsing van [minderjarige] . De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek van de GI daarom afwijzen.
5.16.
Dit betekent dat vanwege de (impliciete) doelstelling van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van minderjarige(n) als uitgangspunt nog steeds heeft te gelden dat er voor de duur van deze maatregelen, voor zover mogelijk, dient te worden ingezet op de thuisplaatsing van [minderjarige] . Gegeven die doelstelling is het dan ook aan de GI om, met het oog op wat [minderjarige] aankan, hieraan verdere invulling te geven, bijvoorbeeld door aandacht te blijven houden voor de mogelijkheden voor een uitbreiding van de contacten tussen de moeder en [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] staat hierbij uiteraard voorop. De rechtbank acht het daarnaast in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI, indien zij volhardt in haar standpunt dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder is gelegen, op korte termijn aan de Raad zal verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel.
Vaststelling omgang
5.17.
De moeder heeft bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht, samengevat, om een stapsgewijs opbouwende omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen op grond van artikel 1:265g BW.
5.18.
De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:265g lid 1 BW een omgangsregeling als bedoeld in dit artikel enkel kan vaststellen op verzoek van de GI en dus niet van de moeder. Bij een ondertoezichtstelling (en uithuisplaatsing) van minderjarigen is er geen andere wettelijke grondslag voor de ouder om zo’n verzoek te doen, behoudens het algemeen geformuleerde artikel 1:377a lid 2 BW. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom aanmerken als een verzoek om een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen op grond van artikel 1:377a BW.
5.19.
Uit artikel 1:377a lid 1 BW volgt dat het kind het recht heeft op omgang met zijn ouder(s). Op grond van lid 2 van voormeld artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
5.20.
Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] in het afgelopen jaar wisselend is verlopen vanwege de beperkte beschikbaarheid en bereikbaarheid van de moeder. Aangezien er sinds mei 2023 sprake is van positieve ontwikkelingen, in die zin dat de moeder beter bereikbaar is en zij ook in contact staat met de GI en de hulpverlening, heeft de GI nadien een drietal omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] vastgesteld op basis waarvan de moeder en [minderjarige] eenmaal per drie weken omgang met elkaar hebben. Gebleken is echter dat [minderjarige] na afloop van de omgang met de moeder zorgelijk gedrag heeft vertoond, zoals hoofdbonken en het bijten van zijn pleegzusje. Daarnaast is er ten aanzien van de persoonlijke problematiek van de moeder en haar bereidheid om de noodzakelijk geachte hulpverlening en behandeling te accepteren nog steeds sprake van een kwetsbaar evenwicht. Gelet hierop is de rechtbank, overeenkomstig het standpunt van de GI en het advies van de Raad, van oordeel dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om een vastomlijnde omgangsregeling vast te stellen.
5.21.
Het zelfstandige verzoek van de moeder om een stapsgewijs opbouwende omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen zal daarom worden afgewezen. Wel zal de rechtbank bepalen dat de moeder en [minderjarige] , uitgaande van de frequentie die nu door de GI is bepaald, eenmaal per drie weken gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar, waarbij de regie over de frequentie, vorm en duur daarvan bij de GI wordt belegd, zodat de GI die regeling indien mogelijk kan uitbreiden en indien nodig kan inperken. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [minderjarige] bij de mogelijkheid van de GI om de omgangsregeling te kunnen aanpassen naar wat hij aankan, prevaleert boven het belang van de moeder (en [minderjarige] ) op duidelijkheid over die omgangsregeling.
Deskundigenonderzoek
5.22.
Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
5.23.
De rechtbank overweegt dat de moeder op grond van 810a lid 2 Rv verzoekt om een deskundigenonderzoek te gelasten, terwijl de Raad nog geen onderzoek heeft verricht naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel (en naar het perspectief van [minderjarige] ). Voor een dergelijk onderzoek is echter nog geen plaats zolang het onderzoek van de Raad niet is afgerond, zo heeft de Hoge Raad bepaald in zijn arrest van 29 mei 2020 (ECLI:NL:HR:2020:961). Gelet hierop zal de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om een deskundigenonderzoek te gelasten.
Beoordeling
Hoe langer die situatie voortduurt, hoe sterker [minderjarige] zich zal hechten aan zijn pleegouders en, gelet op de aanvaardbare termijn waarin [minderjarige] onduidelijkheid kan verdragen over zijn perspectief, hoe moeilijker het zal worden om alsnog in te zetten op terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Wanneer de GI in de toekomst alsnog aan de Raad zal verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel betreffende het gezag van de moeder over [minderjarige] en de Raad een daartoe strekkend verzoek bij de rechtbank zal indienen, zal een thuisplaatsing dan ook zeer waarschijnlijk niet (meer) mogelijk zijn. De rechtbank zal dan voor een voldongen feit worden gesteld. Het tijdsverloop zal er dan vermoedelijk toe hebben geleid dat (toewerken naar) een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet meer in zijn belang en zelfs schadelijk zal zijn.
5.13.
De rechtbank overweegt tot slot dat het bepalen dat de doelen van de ondertoezichtstelling niet langer zullen zijn gericht op thuisplaatsing van een minderjarige wat haar betreft niet altijd (ook) een perspectiefbepaling inhoudt. Dit zou bijvoorbeeld anders zijn in het geval dat een verzoek van de Raad tot gezagsbeëindiging op korte termijn door de rechtbank zal worden behandeld en de GI verzoekt om te bepalen dat er tijdelijk ter overbrugging van die periode, dus bij wijze van ordemaatregel, niet hoeft te worden ingezet op thuisplaatsing van de minderjarige(n) bij (een van) de ouder(s) wanneer dat in het belang van de minderjarige(n) noodzakelijk wordt geacht.
5.14.
Wanneer de rechtbank nu zou besluiten dat er gedurende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] niet langer hoeft te worden toegewerkt naar thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en de GI tegelijkertijd geen stappen zet om de Raad te verzoeken om een onderzoek te verrichten naar een gezagsbeëindigende maatregel (en daarmee naar het perspectief van [minderjarige] ), wordt de moeder bovendien geconfronteerd met een rechterlijke beslissing waartegen op grond van artikel 807 Rv geen hoger beroep openstaat. De rechtbank acht die situatie, gelet op het ingrijpende karakter daarvan, zeer onwenselijk.
5.15.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in strijd met het belang van [minderjarige] om op dit moment te bepalen dat de doelen van de ondertoezichtstelling niet langer zullen zijn gericht op de thuisplaatsing van [minderjarige] . De rechtbank zal het daartoe strekkende verzoek van de GI daarom afwijzen.
5.16.
Dit betekent dat vanwege de (impliciete) doelstelling van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van minderjarige(n) als uitgangspunt nog steeds heeft te gelden dat er voor de duur van deze maatregelen, voor zover mogelijk, dient te worden ingezet op de thuisplaatsing van [minderjarige] . Gegeven die doelstelling is het dan ook aan de GI om, met het oog op wat [minderjarige] aankan, hieraan verdere invulling te geven, bijvoorbeeld door aandacht te blijven houden voor de mogelijkheden voor een uitbreiding van de contacten tussen de moeder en [minderjarige] . Het belang van [minderjarige] staat hierbij uiteraard voorop. De rechtbank acht het daarnaast in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat de GI, indien zij volhardt in haar standpunt dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder is gelegen, op korte termijn aan de Raad zal verzoeken om een onderzoek te verrichten naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel.
Vaststelling omgang
5.17.
De moeder heeft bij wijze van zelfstandig verzoek verzocht, samengevat, om een stapsgewijs opbouwende omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen op grond van artikel 1:265g BW.
5.18.
De rechtbank overweegt dat zij op grond van artikel 1:265g lid 1 BW een omgangsregeling als bedoeld in dit artikel enkel kan vaststellen op verzoek van de GI en dus niet van de moeder. Bij een ondertoezichtstelling (en uithuisplaatsing) van minderjarigen is er geen andere wettelijke grondslag voor de ouder om zo’n verzoek te doen, behoudens het algemeen geformuleerde artikel 1:377a lid 2 BW. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom aanmerken als een verzoek om een omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen op grond van artikel 1:377a BW.
5.19.
Uit artikel 1:377a lid 1 BW volgt dat het kind het recht heeft op omgang met zijn ouder(s). Op grond van lid 2 van voormeld artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast.
5.20.
Uit de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, blijkt dat de omgang tussen de moeder en [minderjarige] in het afgelopen jaar wisselend is verlopen vanwege de beperkte beschikbaarheid en bereikbaarheid van de moeder. Aangezien er sinds mei 2023 sprake is van positieve ontwikkelingen, in die zin dat de moeder beter bereikbaar is en zij ook in contact staat met de GI en de hulpverlening, heeft de GI nadien een drietal omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] vastgesteld op basis waarvan de moeder en [minderjarige] eenmaal per drie weken omgang met elkaar hebben. Gebleken is echter dat [minderjarige] na afloop van de omgang met de moeder zorgelijk gedrag heeft vertoond, zoals hoofdbonken en het bijten van zijn pleegzusje. Daarnaast is er ten aanzien van de persoonlijke problematiek van de moeder en haar bereidheid om de noodzakelijk geachte hulpverlening en behandeling te accepteren nog steeds sprake van een kwetsbaar evenwicht. Gelet hierop is de rechtbank, overeenkomstig het standpunt van de GI en het advies van de Raad, van oordeel dat het op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is om een vastomlijnde omgangsregeling vast te stellen.
5.21.
Het zelfstandige verzoek van de moeder om een stapsgewijs opbouwende omgangsregeling tussen haar en [minderjarige] vast te stellen zal daarom worden afgewezen. Wel zal de rechtbank bepalen dat de moeder en [minderjarige] , uitgaande van de frequentie die nu door de GI is bepaald, eenmaal per drie weken gerechtigd zijn tot het hebben van omgang met elkaar, waarbij de regie over de frequentie, vorm en duur daarvan bij de GI wordt belegd, zodat de GI die regeling indien mogelijk kan uitbreiden en indien nodig kan inperken. De rechtbank is van oordeel dat het belang van [minderjarige] bij de mogelijkheid van de GI om de omgangsregeling te kunnen aanpassen naar wat hij aankan, prevaleert boven het belang van de moeder (en [minderjarige] ) op duidelijkheid over die omgangsregeling.
Deskundigenonderzoek
5.22.
Artikel 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
5.23.
De rechtbank overweegt dat de moeder op grond van 810a lid 2 Rv verzoekt om een deskundigenonderzoek te gelasten, terwijl de Raad nog geen onderzoek heeft verricht naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel (en naar het perspectief van [minderjarige] ). Voor een dergelijk onderzoek is echter nog geen plaats zolang het onderzoek van de Raad niet is afgerond, zo heeft de Hoge Raad bepaald in zijn arrest van 29 mei 2020 (ECLI:NL:HR:2020:961). Gelet hierop zal de rechtbank de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek om een deskundigenonderzoek te gelasten.