Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-16
ECLI:NL:RBZWB:2023:7187
Strafrecht
Op tegenspraak
15,968 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummers: 02-247629-22, 02-036045-23 en 02-131546-23
vonnis van de meervoudige kamer van 16 oktober 2023
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
raadsman mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Tilburg.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 2 oktober 2023, waarbij de officier van justitie, mr. Den Braber en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2De tenlastelegging
De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
parketnummer 02-247629-22
feit 1: op 28 september 2022 te Breda samen met anderen [slachtoffer 1] heeft afgeperst;
feit 2: op 4 september 2022 te Breda samen met anderen goederen van [slachtoffer 2] heeft gestolen;
feit 3: op 4 september 2022 te Breda samen met anderen [slachtoffer 2] heeft gedwongen iets te doen onder bedreiging van geweld;
feit 4: op 4 september 2022 te Breda samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] .
parketnummer 02-036045-23
op 12 juli 2022 te Breda samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] .
parketnummer 02-131546-23:
op 27 mei 2023 te Roosendaal goederen heeft gestolen bij [supermarkt] .
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 02-247629-22
Feit 1:
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, samen met [medeverdachte 1] , [slachtoffer 1] heeft afgeperst. Zij is van mening dat kan worden bewezen dat zowel [medeverdachte 1] als verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de verklaring van aangever, de verklaring van [getuige 1] en ook de verklaring van verdachte zelf dat hij erbij was.
Feiten
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze ten laste gelegde feiten samen met [medeverdachte 1] heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de aanvullende verklaring van het slachtoffer, de verklaring van getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] .
Anders dan de verdediging is de officier van justitie niet van mening dat de rol van verdachte kleiner is geweest dan die van [medeverdachte 1] . Verdachte kende het slachtoffer en [medeverdachte 1] kende hem niet. Dit was ook het geval bij feit 1. Verdachte heeft een net zo groot aandeel gehad en hij heeft ook goederen meegenomen.
Parketnummer 02-036045-23
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] . Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van getuigen [getuige 5] en [getuige 6] .
Parketnummer 02-131546-23
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd en zij baseert zich daarbij op de aangifte, de camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte.
4.2
Het standpunt van de verdediging
Parketnummer 02-247629-22
feit 1:
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de in vereniging ten laste gelegde afpersing dan wel diefstal met geweld. Het oogmerk bij verdachte op de diefstal ontbreekt. Bovendien worden de geweldshandelingen niet door verdachte, maar door [medeverdachte 1] gepleegd. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.
feit 2:
De verdediging is van mening dat verdachte ook dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging van de airpods en het horloge. Op basis van de bewijsmiddelen is niet vast te stellen dat er een oogmerk was op de diefstal en bovendien was er geen sprake van opzet. De verklaring dat verdachte het horloge kreeg en onder zich heeft gehad, levert niet de kwalificatie van diefstal op. Dit had juridisch anders gekwalificeerd moeten worden.
feit 3:
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit gezien de ontkennende verklaring van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
feit 4:
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Parketnummer 02-036045-23
De verdediging heeft aangevoerd dat de [getuige 6] niet verklaart dat zij heeft gezien dat verdachte geweldshandelingen zou hebben gepleegd. Zij heeft verklaard dat dit zou kunnen kloppen gelet op hoe verdachte is. Verder verklaren de getuigen [getuige 7] en [getuige 8] dat de geweldshandelingen door [medeverdachte 1] zijn gepleegd en niet door verdachte. De verklaring van [getuige 5] dient buiten beschouwing te worden gelaten, omdat deze verklaring ongeloofwaardig is. De rechtbank kan volgens de verdediging dan ook niet tot een bewezenverklaring komen van dit feit en verdachte dient daarom hiervan te worden vrijgesproken.
Parketnummer 02-131546-23
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van dit feit nu dit feit door verdachte wordt bekend.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op basis van de aangehechte bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Parketnummer 02-247629-22
feit 1:
Op 28 september 2022 liep aangever [slachtoffer 1] met een vriend, [naam] , in het centrum van Breda. Zij kwamen daar verdachte en [medeverdachte 1] tegen. Aangever wilde weglopen, omdat hij eerder ruzie met verdachte heeft gehad. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn achter [slachtoffer 1] en de vriend aangelopen en op een gegeven moment zei verdachte dat zij moesten stoppen. Aangever en zijn vriend moesten vervolgens meelopen met verdachte en medeverdachte. Zij liepen richting een steegje achter De Lange Stallen. Daar werd aangever aan zijn keel vastgepakt door [medeverdachte 1] en deze drukte zijn voorhoofd tegen dat van aangever aan. Hij sloeg aangever vervolgens met gebalde vuist op zijn kaak. [medeverdachte 1] zei: ‘Loop mee, anders laat ik je mee lopen’. Ook vroeg hij aangever wat er in zijn tasje zat. [medeverdachte 1] probeerde het tasje een aantal keren open te maken. Hij pakte aangever meerdere keren bij zijn kraag en verdachte riep ‘pak hem, pak dat ding’. Aangever dacht dat het om een mes zou gaan. Eerder had verdachte gezegd: ‘zullen we hem pakken’.
Aangever moest van [medeverdachte 1] nog een stukje verder lopen. Hierna werd hij met meerdere vuistslagen op zijn gezicht, lever en buik geslagen door [medeverdachte 1] . Nadat hij nog een stukje verder moest lopen, voegde verdachte zich bij [medeverdachte 1] en sloeg hij met beide handen in gebalde toestand in het gezicht en de buik van aangever. Verdachte trapte hem op zijn linker bovenbeen. [medeverdachte 1] ging weer aan zijn spullen zitten en aangever hoorde dat verdachte zei: “Werk gewoon mee, anders vallen er klappen”. Vervolgens moest hij een briefje van vijf euro, dat in het hoesje van zijn telefoon zat, afgeven aan [medeverdachte 1] . Aangever voelde zich bedreigd en angstig doordat hij meerdere klappen van [medeverdachte 1] en verdachte had gekregen. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben aangever vervolgens nog geslagen tegen zijn gezicht en in zijn buik en getrapt tegen zijn been totdat hij op de grond zakte tegen een hek. Toen er mensen aan kwamen lopen, zijn verdachte en [medeverdachte 1] weggerend.
Uit het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde af dat verdachte en [medeverdachte 1] de gehele tijd samen zijn opgetrokken. Zij hebben aangever gesommeerd hen te volgen en zij hebben beiden geweldshandelingen verricht. Ook hebben zij beiden dreigende woorden richting aangever geuit. Er is dan ook sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.
[medeverdachte 1] heeft al bij het begin van hun ontmoeting aan aangever gevraagd wat er in zijn tasje zat. Verdachte is er steeds bij geweest en hij heeft ook gezien dat aangever het briefje van vijf euro aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. Gezien de gezamenlijke uitvoering van het feit acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk ook bij verdachte aanwezig was om zich wederrechtelijk te bevoordelen. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van aangever in vereniging.
Feiten
[slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) was op 4 september 2022 met zijn vrienden [getuige 2] en [getuige 3] in het centrum van Breda. Zij kwamen verdachte en [medeverdachte 1] tegen. [medeverdachte 1] pakte [slachtoffer 2] vast en zei dat hij met hen moest meelopen en dat hij zich rustig moest houden. [slachtoffer 2] en zijn vrienden liepen met verdachte en [medeverdachte 1] mee naar de parkeergarage van de Houtmarktpassage.
Zij moesten van hen de parkeergarage inlopen. Vervolgens haalde [medeverdachte 1] een mes uit zijn broeksband. Dit was een groot, grijs keukenmes. [slachtoffer 2] moest vervolgens op zijn knieën gaan zitten en een hond nadoen van verdachte en [medeverdachte 1] . Verdachte heeft dit gefilmd. [medeverdachte 1] zei dat, als [slachtoffer 2] niet zou meewerken, hij een mes tussen zijn ribben zou steken. Vervolgens kreeg [slachtoffer 2] klappen in zijn buik en op zijn rug. Er werd met gebalde vuisten geslagen. Daarna moest hij nog een keer over de grond kruipen en 'sorry baas' zeggen.
[medeverdachte 1] voelde aan de zakken van [slachtoffer 2] en pakte zijn airPods. Verdachte heeft uit de tas van [getuige 3] het horloge van [slachtoffer 2] gepakt en dit meegenomen. Later hebben verdachte en [medeverdachte 1] onder druk van [getuige 4] de airPods en het horloge teruggegeven aan [slachtoffer 2] en hun excuses aan [slachtoffer 2] aangeboden.
Diefstal (feit 2)
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten aanzien van feit 2 verantwoordelijk moet worden gehouden voor de diefstal van de AirPods en het horloge van [slachtoffer 2] . Uit de verklaring van [getuige 3] d.d. 18 september 2023 blijkt immers dat verdachte het horloge van [slachtoffer 2] uit het tasje heeft gehaald dat de getuige [getuige 3] bij zich had. Er is dan ook sprake van diefstal en niet van een ander te kwalificeren strafbaar feit, zoals door de verdediging is bepleit. Ten aanzien van de AirPods overweegt de rechtbank dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Derhalve kan ook dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend worden bewezen. Dat de goederen vervolgens later die dag teruggegeven zijn aan [slachtoffer 2] doet daar niet aan af.
Nauwe en bewuste samenwerking
Zoals overwogen is er bij deze feiten sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Zij zijn samen opgetrokken en hebben beiden geweldshandelingen verricht gericht tegen [slachtoffer 2] . Daar komt bij dat verdachte het gebeuren heeft gefilmd terwijl [medeverdachte 1] [slachtoffer 2] onder bedreiging van een mes een hond na liet doen en hij over de grond moest kruipen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 3 en 4, welke in vereniging met [medeverdachte 1] zijn gepleegd.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de feiten 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Parketnummer 02-036045-23
Op 12 juli 2022 had medeverdachte [medeverdachte 2] ruzie met [slachtoffer 3] naar aanleiding van een incident op 11 juli 2022. [medeverdachte 2] heeft aangever opgebeld en gezegd dat hij naar een speeltuintje moest komen aan de Rietsmalaan te Breda. Toen aangever daar aan kwam werd hij aangesproken door [medeverdachte 2] . Aangever was met drie vrienden. Bij [medeverdachte 2] waren verdachte en een meisje aanwezig. Aangever moest op zijn knieën gaan zitten en ‘sorry baas’ zeggen van [medeverdachte 2] . Toen hij vroeg waarom hij dat moest doen, voelde hij dat [medeverdachte 2] hem bij zijn nek vastpakte. Aangever hoorde dat verdachte [medeverdachte 2] opjutte. Aangever stond op en wilde weglopen en op dat moment werd hij door verdachte bij zijn nek gepakt. Hij werd hard vastgepakt en hij werd door verdachte teruggetrokken. Verdachte draaide aangever om en liep met hem terug naar [medeverdachte 2] . Verdachte zei tegen aangever: ‘dat moet je niet doen vriend’. Verdachte liet hem vervolgens los en toen pakte [medeverdachte 2] hem weer bij zijn keel en probeerde hij zijn keel dicht te knijpen. Daarna sloeg [medeverdachte 2] hem in zijn buik. Verdachte riep: 'hoeken, hoeken'. Aangever kon wegrennen. Verdachte riep hem na: ‘als je nog een keer komt, gaan we je de grond in stampen’.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor dit feit, omdat verdachte zich niet schuldig zou hebben gemaakt aan geweldshandelingen. De rechtbank komt tot een andere conclusie en zij overweegt hiertoe het volgende. De meeste geweldshandelingen zijn weliswaar verricht door [medeverdachte 2] , maar verdachte heeft [medeverdachte 2] wel opgejut en daarbij geroepen dat hij aangever moest hoeken. Bovendien heeft verdachte aangever vastgepakt bij zijn nek en heeft hij hem weer in de richting van [medeverdachte 2] geduwd waardoor deze door kon gaan met de gewelddadige handelingen tegen aangever.
Op grond hiervan staat voor de rechtbank vast dat verdachte niet enkel erbij heeft gestaan, maar dat hij, door te handelen zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, het opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en hij daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Op grond daarvan wordt het verweer van de verdediging door de rechtbank verworpen en komt zij tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Parketnummer 02-131546-23
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 2 oktober 2023;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens De [supermarkt] in het eindproces-verbaal van de politie Zeeland-West-Brabant met registratienummer: PL2000-2023131696
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
parketnummer 02-247629-22
1. op 28 september 2022 te Breda, aan de openbare weg te weten De
Lange Stallen, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 5 euro, dat aan [slachtoffer 1] toebehoorde door die [slachtoffer 1]
- bij zijn keel vast te pakken en zijn hoofd tegen het voorhoofd van die [slachtoffer 1]
te drukken; en
- tegen zijn kaak, te stompen; en
- dreigend toe te voegen "Loop mee, anders laat ik je mee lopen" en
- dreigend toe te voegen: "Loop eens mee, wat zit er in je tasje"; en
- meerdere keren bij zijn kraag vastpakte en die [slachtoffer 1] toevoegde "zullen we
hem pakken"; en
- meermalen op diens lichaam heeft geslagen/gestompt en/of getrapt;
en
- dreigend toevoegde: "Werk gewoon mee anders vallen er klappen";
2. hij op 4 september 2022 te Breda, tezamen en in vereniging met een
ander AirPods en een horloge, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder deze strafbare feiten zijn begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende gewelds- en vermogensdelicten. Bij de feiten gepleegd tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is (fors) geweld gebruikt. Daarnaast is [slachtoffer 2] gedwongen tot het uitvoeren van vernederende handelingen, die ook nog zijn gefilmd. Bij geen van de geweldsfeiten is een concrete aanleiding geweest voor het geweld dat door verdachte en zijn medeverdachten is gebruikt. Daarbij komt dat verdachte heel lichtvaardig te werk is gegaan en geen blijk heeft gegeven stil te hebben gestaan bij het leed dat hiermee aan de (minderjarige) slachtoffers werd berokkend. Ook nadien heeft verdachte desgevraagd aangegeven dat het om niks ging. In elk geval van één van de slachtoffers, te weten [slachtoffer 1] , heeft daarentegen nog erg veel psychische last van de overval.
Ook ten aanzien van de winkeldiefstal heeft verdachte enkel uit eigen gewin gehandeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van verdachte. Hieruit is gebleken dat hij niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten.
In het rapport van het psychologisch onderzoek d.d. 1 maart 2023 komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis, een stoornis in cannabisgebruik, leer- of onderwijsproblemen en ouder-kindrelatieproblemen die hun oorsprong vinden in de instabiele voorgeschiedenis en het gebrek aan toezicht en sturing door de ouders en de zwakke cognitieve mogelijkheden bij verdachte. Bij verdachte is sprake van kwetsbaarheden in zijn persoonlijkheid en in het hanteren van ongezonde copingstrategieën.
Verdachte is, vanuit zijn lage verbale vaardigheden, onvoldoende ontwikkelde sociale vaardigheden in combinatie met een gebrekkige identiteit en geweten gemakkelijk te beïnvloeden door andere jongeren met antisociaal gedrag. Verdachte lijkt goed en kwaad voldoende op waarde te kunnen schatten, maar zijn gebrekkige morele ontwikkeling maakt echter dat hij niet goed in staat is de ernst en de gevolgen van zijn acties te over zien. Verdachte is gericht op eigen gewin en onmiddellijke behoeftebevrediging. Daarbij beschikt hij over cognitieve vervormingen en anti-sociale cognities waarbij geweld gerechtvaardigd is wanneer iemand zijn ego krenkt of zijn familie uitscheldt. Verdachte heeft laten zien dat hij over onvoldoende zelfinzicht beschikt en dat hij afhankelijk is van externe sturing om de juiste keuzes te maken. Gezien het voorgaande wordt geadviseerd hem het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen. Het risico op toekomstig geweld wordt als matig tot hoog ingeschat vanwege de historische, sociale/contextuele en individuele factoren die bij verdachte een rol spelen en tevens de beperkte aanwezigheid van protectieve factoren. Geadviseerd wordt om een behandeling (psychomotore therapie (PMT) en Multidimensionale familietherapie (MDFT)) aan verdachte op te leggen in het kader van de bijzondere voorwaarden met daaraan een deels voorwaardelijk strafdeel gekoppeld. Verdachte heeft een duidelijke stok achter de deur nodig.
Door de Raad is in het rapport d.d. 15 september 2023 en ter terechtzitting naar voren gebracht dat voor de Multidimensionale familietherapie (MDFT) in combinatie met PMT een lange wachtlijst is. De jeugdreclassering heeft daarom in het kader van de begeleiding ervoor gekozen om vergelijkbare hulpverlening in te zetten, te weten [training] , [hulpverlening 1] en [hulpverlening 2] (individueel voor verdachte). Ook is [gezinsbegeleiding] recent gestart met gezinsbegeleiding. Verdachte laat een voorzichtige positieve ontwikkeling zien en hij heeft het traject bij [training] inmiddels positief afgesloten. Het is noodzakelijk om verdere recidive te voorkomen met een continuering van de huidige hulpverlening en toezicht door de jeugdreclassering. De Raad adviseert derhalve een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan de hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] , zolang deze is geïndiceerd;
meewerkt aan de begeleiding vanuit [hulpverlening 1] , zo lang deze is geïndiceerd;
onderwijs en/of een andere dagbesteding volgt en niet verzuimt;
actief en aantoonbaar op zoek gaat naar een positieve, structurele vrijetijdsbesteding (sporten, bijbaan) en deze behoudt;
meewerkt aan psychomotore therapie, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
meewerkt aan aanvullende hulpverlening, als de jeugdreclassering deze nodig acht;
zich gedurende een door Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, afdeling Jeugdreclassering, te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de Jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de
reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.
Door de Jeugdreclassering is ter terechtzitting naar voren gebracht dat de begeleiding van verdachte wisselend is verlopen in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Voor verdachte is het van belang dat de huidige hulpverlening in het kader van het reclasseringstoezicht wordt voortgezet. Het is daarbij van belang dat verdachte de afspraken zal gaan nakomen en dat hij zich zal inzetten voor de hulpverlening. Verdachte lijkt momenteel minder beïnvloedbaar dan ten tijde van het door hem plegen van de ten laste gelegde feiten.
De rechtbank heeft kennis genomen van de conclusies van de deskundigen, zij neemt deze conclusies over en zij houdt daarmee in het voordeel van verdachte rekening bij het bepalen van de strafmaat.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, houdt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de strafmaat geen rekening met de lange periode dat verdachte onder elektronisch toezicht heeft gestaan. Het is immers aan verdachte te wijten dat hij zich niet aan de eerdere opgelegde schorsingsvoorwaarden hield en dat daardoor een elektronisch toezicht nodig werd geacht.
Op te leggen straf
De door de officier van justitie gevorderde straf is naar het oordeel van de rechtbank passend. Door de officier van justitie is aftrek van het voorarrest gevorderd bij zowel de taakstraf als de deels voorwaardelijke jeugddetentie. Enkel om te voorkomen dat in de executie van het vonnis problemen kunnen ontstaan bij het verrekenen van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, zal de rechtbank aan verdachte een straf opleggen die afwijkt van de daarop ziende vordering van de officier van justitie. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uur met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten en daarnaast een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 60 dagen met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij zullen, naast de algemene voorwaarde dat verdachte zich in de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, de bijzondere voorwaarden opgelegd worden, zoals deze zijn gevorderd door de officier van justitie met als toevoeging dat naast dat verdachte onderwijs volgt, hij: “dan wel een andere zinvolle dagbesteding heeft”.
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-247629-22:
feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 3: een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 4: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
parketnummer 02-036045-23:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Parketnummer 02-131546-23:
Diefstal;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 75 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest (te weten negen dagen) heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan de hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] , zo lang de jeugdreclassering dit nodig acht;
meewerkt aan de begeleiding vanuit [hulpverlening 1] , zo lang de jeugdreclassering dit nodig acht;
onderwijs volgt dan wel een andere zinvolle dagbesteding heeft;
actief en aantoonbaar op zoek gaat naar positieve, structurele vrijetijdsbesteding (sporten, bijbaan) en deze behoudt;
meewerkt aan psychomotore therapie, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
meewerkt aan aanvullende hulpverlening, als de jeugdreclassering deze nodig acht;
- draagt de Stichting Jeugdbescherming Brabant als gecertificeerde instelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;
Voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering uit te voeren door de Stichting Jeugdbescherming Brabant als gecertificeerde instelling;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
parketnummer 02-247629-22:
feit 1:
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van
€ 5,-, aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 september 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] (feit 1), € 5,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 september 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;
Dit vonnis is gewezen door mr. Bogaert, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Hamburger en mr. Van Term, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van Boink, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 oktober 2023.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummers: 02-247629-22, 02-036045-23 en 02-131546-23
vonnis van de meervoudige kamer van 16 oktober 2023
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
raadsman mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Tilburg.
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 2 oktober 2023, waarbij de officier van justitie, mr. Den Braber en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
2De tenlastelegging
De tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
parketnummer 02-247629-22
feit 1: op 28 september 2022 te Breda samen met anderen [slachtoffer 1] heeft afgeperst;
feit 2: op 4 september 2022 te Breda samen met anderen goederen van [slachtoffer 2] heeft gestolen;
feit 3: op 4 september 2022 te Breda samen met anderen [slachtoffer 2] heeft gedwongen iets te doen onder bedreiging van geweld;
feit 4: op 4 september 2022 te Breda samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] .
parketnummer 02-036045-23
op 12 juli 2022 te Breda samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] .
parketnummer 02-131546-23:
op 27 mei 2023 te Roosendaal goederen heeft gestolen bij [supermarkt] .
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 02-247629-22
Feit 1:
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, samen met [medeverdachte 1] , [slachtoffer 1] heeft afgeperst. Zij is van mening dat kan worden bewezen dat zowel [medeverdachte 1] als verdachte geweldshandelingen heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de verklaring van aangever, de verklaring van [getuige 1] en ook de verklaring van verdachte zelf dat hij erbij was.
Feiten
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze ten laste gelegde feiten samen met [medeverdachte 1] heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de aanvullende verklaring van het slachtoffer, de verklaring van getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] .
Anders dan de verdediging is de officier van justitie niet van mening dat de rol van verdachte kleiner is geweest dan die van [medeverdachte 1] . Verdachte kende het slachtoffer en [medeverdachte 1] kende hem niet. Dit was ook het geval bij feit 1. Verdachte heeft een net zo groot aandeel gehad en hij heeft ook goederen meegenomen.
Parketnummer 02-036045-23
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 3] . Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van getuigen [getuige 5] en [getuige 6] .
Parketnummer 02-131546-23
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd en zij baseert zich daarbij op de aangifte, de camerabeelden en de bekennende verklaring van verdachte.
4.2
Het standpunt van de verdediging
Parketnummer 02-247629-22
feit 1:
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de in vereniging ten laste gelegde afpersing dan wel diefstal met geweld. Het oogmerk bij verdachte op de diefstal ontbreekt. Bovendien worden de geweldshandelingen niet door verdachte, maar door [medeverdachte 1] gepleegd. Verdachte dient dan ook van dit feit te worden vrijgesproken.
feit 2:
De verdediging is van mening dat verdachte ook dient te worden vrijgesproken van de diefstal in vereniging van de airpods en het horloge. Op basis van de bewijsmiddelen is niet vast te stellen dat er een oogmerk was op de diefstal en bovendien was er geen sprake van opzet. De verklaring dat verdachte het horloge kreeg en onder zich heeft gehad, levert niet de kwalificatie van diefstal op. Dit had juridisch anders gekwalificeerd moeten worden.
feit 3:
De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit gezien de ontkennende verklaring van verdachte. Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
feit 4:
De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Parketnummer 02-036045-23
De verdediging heeft aangevoerd dat de [getuige 6] niet verklaart dat zij heeft gezien dat verdachte geweldshandelingen zou hebben gepleegd. Zij heeft verklaard dat dit zou kunnen kloppen gelet op hoe verdachte is. Verder verklaren de getuigen [getuige 7] en [getuige 8] dat de geweldshandelingen door [medeverdachte 1] zijn gepleegd en niet door verdachte. De verklaring van [getuige 5] dient buiten beschouwing te worden gelaten, omdat deze verklaring ongeloofwaardig is. De rechtbank kan volgens de verdediging dan ook niet tot een bewezenverklaring komen van dit feit en verdachte dient daarom hiervan te worden vrijgesproken.
Parketnummer 02-131546-23
De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van dit feit nu dit feit door verdachte wordt bekend.
4.3
Beoordeling
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Op basis van de aangehechte bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Parketnummer 02-247629-22
feit 1:
Op 28 september 2022 liep aangever [slachtoffer 1] met een vriend, [naam] , in het centrum van Breda. Zij kwamen daar verdachte en [medeverdachte 1] tegen. Aangever wilde weglopen, omdat hij eerder ruzie met verdachte heeft gehad. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn achter [slachtoffer 1] en de vriend aangelopen en op een gegeven moment zei verdachte dat zij moesten stoppen. Aangever en zijn vriend moesten vervolgens meelopen met verdachte en medeverdachte. Zij liepen richting een steegje achter De Lange Stallen. Daar werd aangever aan zijn keel vastgepakt door [medeverdachte 1] en deze drukte zijn voorhoofd tegen dat van aangever aan. Hij sloeg aangever vervolgens met gebalde vuist op zijn kaak. [medeverdachte 1] zei: ‘Loop mee, anders laat ik je mee lopen’. Ook vroeg hij aangever wat er in zijn tasje zat. [medeverdachte 1] probeerde het tasje een aantal keren open te maken. Hij pakte aangever meerdere keren bij zijn kraag en verdachte riep ‘pak hem, pak dat ding’. Aangever dacht dat het om een mes zou gaan. Eerder had verdachte gezegd: ‘zullen we hem pakken’.
Aangever moest van [medeverdachte 1] nog een stukje verder lopen. Hierna werd hij met meerdere vuistslagen op zijn gezicht, lever en buik geslagen door [medeverdachte 1] . Nadat hij nog een stukje verder moest lopen, voegde verdachte zich bij [medeverdachte 1] en sloeg hij met beide handen in gebalde toestand in het gezicht en de buik van aangever. Verdachte trapte hem op zijn linker bovenbeen. [medeverdachte 1] ging weer aan zijn spullen zitten en aangever hoorde dat verdachte zei: “Werk gewoon mee, anders vallen er klappen”. Vervolgens moest hij een briefje van vijf euro, dat in het hoesje van zijn telefoon zat, afgeven aan [medeverdachte 1] . Aangever voelde zich bedreigd en angstig doordat hij meerdere klappen van [medeverdachte 1] en verdachte had gekregen. Verdachte en [medeverdachte 1] hebben aangever vervolgens nog geslagen tegen zijn gezicht en in zijn buik en getrapt tegen zijn been totdat hij op de grond zakte tegen een hek. Toen er mensen aan kwamen lopen, zijn verdachte en [medeverdachte 1] weggerend.
Uit het dossier en uit het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde af dat verdachte en [medeverdachte 1] de gehele tijd samen zijn opgetrokken. Zij hebben aangever gesommeerd hen te volgen en zij hebben beiden geweldshandelingen verricht. Ook hebben zij beiden dreigende woorden richting aangever geuit. Er is dan ook sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering.
[medeverdachte 1] heeft al bij het begin van hun ontmoeting aan aangever gevraagd wat er in zijn tasje zat. Verdachte is er steeds bij geweest en hij heeft ook gezien dat aangever het briefje van vijf euro aan [medeverdachte 1] heeft gegeven. Gezien de gezamenlijke uitvoering van het feit acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat het oogmerk ook bij verdachte aanwezig was om zich wederrechtelijk te bevoordelen. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van aangever in vereniging.
Feiten
[slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) was op 4 september 2022 met zijn vrienden [getuige 2] en [getuige 3] in het centrum van Breda. Zij kwamen verdachte en [medeverdachte 1] tegen. [medeverdachte 1] pakte [slachtoffer 2] vast en zei dat hij met hen moest meelopen en dat hij zich rustig moest houden. [slachtoffer 2] en zijn vrienden liepen met verdachte en [medeverdachte 1] mee naar de parkeergarage van de Houtmarktpassage.
Zij moesten van hen de parkeergarage inlopen. Vervolgens haalde [medeverdachte 1] een mes uit zijn broeksband. Dit was een groot, grijs keukenmes. [slachtoffer 2] moest vervolgens op zijn knieën gaan zitten en een hond nadoen van verdachte en [medeverdachte 1] . Verdachte heeft dit gefilmd. [medeverdachte 1] zei dat, als [slachtoffer 2] niet zou meewerken, hij een mes tussen zijn ribben zou steken. Vervolgens kreeg [slachtoffer 2] klappen in zijn buik en op zijn rug. Er werd met gebalde vuisten geslagen. Daarna moest hij nog een keer over de grond kruipen en 'sorry baas' zeggen.
[medeverdachte 1] voelde aan de zakken van [slachtoffer 2] en pakte zijn airPods. Verdachte heeft uit de tas van [getuige 3] het horloge van [slachtoffer 2] gepakt en dit meegenomen. Later hebben verdachte en [medeverdachte 1] onder druk van [getuige 4] de airPods en het horloge teruggegeven aan [slachtoffer 2] en hun excuses aan [slachtoffer 2] aangeboden.
Diefstal (feit 2)
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten aanzien van feit 2 verantwoordelijk moet worden gehouden voor de diefstal van de AirPods en het horloge van [slachtoffer 2] . Uit de verklaring van [getuige 3] d.d. 18 september 2023 blijkt immers dat verdachte het horloge van [slachtoffer 2] uit het tasje heeft gehaald dat de getuige [getuige 3] bij zich had. Er is dan ook sprake van diefstal en niet van een ander te kwalificeren strafbaar feit, zoals door de verdediging is bepleit. Ten aanzien van de AirPods overweegt de rechtbank dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Derhalve kan ook dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend worden bewezen. Dat de goederen vervolgens later die dag teruggegeven zijn aan [slachtoffer 2] doet daar niet aan af.
Nauwe en bewuste samenwerking
Zoals overwogen is er bij deze feiten sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Zij zijn samen opgetrokken en hebben beiden geweldshandelingen verricht gericht tegen [slachtoffer 2] . Daar komt bij dat verdachte het gebeuren heeft gefilmd terwijl [medeverdachte 1] [slachtoffer 2] onder bedreiging van een mes een hond na liet doen en hij over de grond moest kruipen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat ook verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 3 en 4, welke in vereniging met [medeverdachte 1] zijn gepleegd.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de feiten 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
Parketnummer 02-036045-23
Op 12 juli 2022 had medeverdachte [medeverdachte 2] ruzie met [slachtoffer 3] naar aanleiding van een incident op 11 juli 2022. [medeverdachte 2] heeft aangever opgebeld en gezegd dat hij naar een speeltuintje moest komen aan de Rietsmalaan te Breda. Toen aangever daar aan kwam werd hij aangesproken door [medeverdachte 2] . Aangever was met drie vrienden. Bij [medeverdachte 2] waren verdachte en een meisje aanwezig. Aangever moest op zijn knieën gaan zitten en ‘sorry baas’ zeggen van [medeverdachte 2] . Toen hij vroeg waarom hij dat moest doen, voelde hij dat [medeverdachte 2] hem bij zijn nek vastpakte. Aangever hoorde dat verdachte [medeverdachte 2] opjutte. Aangever stond op en wilde weglopen en op dat moment werd hij door verdachte bij zijn nek gepakt. Hij werd hard vastgepakt en hij werd door verdachte teruggetrokken. Verdachte draaide aangever om en liep met hem terug naar [medeverdachte 2] . Verdachte zei tegen aangever: ‘dat moet je niet doen vriend’. Verdachte liet hem vervolgens los en toen pakte [medeverdachte 2] hem weer bij zijn keel en probeerde hij zijn keel dicht te knijpen. Daarna sloeg [medeverdachte 2] hem in zijn buik. Verdachte riep: 'hoeken, hoeken'. Aangever kon wegrennen. Verdachte riep hem na: ‘als je nog een keer komt, gaan we je de grond in stampen’.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor dit feit, omdat verdachte zich niet schuldig zou hebben gemaakt aan geweldshandelingen. De rechtbank komt tot een andere conclusie en zij overweegt hiertoe het volgende. De meeste geweldshandelingen zijn weliswaar verricht door [medeverdachte 2] , maar verdachte heeft [medeverdachte 2] wel opgejut en daarbij geroepen dat hij aangever moest hoeken. Bovendien heeft verdachte aangever vastgepakt bij zijn nek en heeft hij hem weer in de richting van [medeverdachte 2] geduwd waardoor deze door kon gaan met de gewelddadige handelingen tegen aangever.
Op grond hiervan staat voor de rechtbank vast dat verdachte niet enkel erbij heeft gestaan, maar dat hij, door te handelen zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, het opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en hij daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Op grond daarvan wordt het verweer van de verdediging door de rechtbank verworpen en komt zij tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Parketnummer 02-131546-23
Aangezien verdachte ten aanzien van dit feit een bekennende verklaring heeft afgelegd en ter zake daarvan geen vrijspraak is bepleit, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 2 oktober 2023;
- het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens De [supermarkt] in het eindproces-verbaal van de politie Zeeland-West-Brabant met registratienummer: PL2000-2023131696
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
parketnummer 02-247629-22
1. op 28 september 2022 te Breda, aan de openbare weg te weten De
Lange Stallen, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 5 euro, dat aan [slachtoffer 1] toebehoorde door die [slachtoffer 1]
- bij zijn keel vast te pakken en zijn hoofd tegen het voorhoofd van die [slachtoffer 1]
te drukken; en
- tegen zijn kaak, te stompen; en
- dreigend toe te voegen "Loop mee, anders laat ik je mee lopen" en
- dreigend toe te voegen: "Loop eens mee, wat zit er in je tasje"; en
- meerdere keren bij zijn kraag vastpakte en die [slachtoffer 1] toevoegde "zullen we
hem pakken"; en
- meermalen op diens lichaam heeft geslagen/gestompt en/of getrapt;
en
- dreigend toevoegde: "Werk gewoon mee anders vallen er klappen";
2. hij op 4 september 2022 te Breda, tezamen en in vereniging met een
ander AirPods en een horloge, die aan [slachtoffer 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
3.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en met de omstandigheden waaronder deze strafbare feiten zijn begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende gewelds- en vermogensdelicten. Bij de feiten gepleegd tegen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is (fors) geweld gebruikt. Daarnaast is [slachtoffer 2] gedwongen tot het uitvoeren van vernederende handelingen, die ook nog zijn gefilmd. Bij geen van de geweldsfeiten is een concrete aanleiding geweest voor het geweld dat door verdachte en zijn medeverdachten is gebruikt. Daarbij komt dat verdachte heel lichtvaardig te werk is gegaan en geen blijk heeft gegeven stil te hebben gestaan bij het leed dat hiermee aan de (minderjarige) slachtoffers werd berokkend. Ook nadien heeft verdachte desgevraagd aangegeven dat het om niks ging. In elk geval van één van de slachtoffers, te weten [slachtoffer 1] , heeft daarentegen nog erg veel psychische last van de overval.
Ook ten aanzien van de winkeldiefstal heeft verdachte enkel uit eigen gewin gehandeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van verdachte. Hieruit is gebleken dat hij niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten.
In het rapport van het psychologisch onderzoek d.d. 1 maart 2023 komt naar voren dat er bij verdachte sprake is van een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis, een stoornis in cannabisgebruik, leer- of onderwijsproblemen en ouder-kindrelatieproblemen die hun oorsprong vinden in de instabiele voorgeschiedenis en het gebrek aan toezicht en sturing door de ouders en de zwakke cognitieve mogelijkheden bij verdachte. Bij verdachte is sprake van kwetsbaarheden in zijn persoonlijkheid en in het hanteren van ongezonde copingstrategieën.
Verdachte is, vanuit zijn lage verbale vaardigheden, onvoldoende ontwikkelde sociale vaardigheden in combinatie met een gebrekkige identiteit en geweten gemakkelijk te beïnvloeden door andere jongeren met antisociaal gedrag. Verdachte lijkt goed en kwaad voldoende op waarde te kunnen schatten, maar zijn gebrekkige morele ontwikkeling maakt echter dat hij niet goed in staat is de ernst en de gevolgen van zijn acties te over zien. Verdachte is gericht op eigen gewin en onmiddellijke behoeftebevrediging. Daarbij beschikt hij over cognitieve vervormingen en anti-sociale cognities waarbij geweld gerechtvaardigd is wanneer iemand zijn ego krenkt of zijn familie uitscheldt. Verdachte heeft laten zien dat hij over onvoldoende zelfinzicht beschikt en dat hij afhankelijk is van externe sturing om de juiste keuzes te maken. Gezien het voorgaande wordt geadviseerd hem het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen. Het risico op toekomstig geweld wordt als matig tot hoog ingeschat vanwege de historische, sociale/contextuele en individuele factoren die bij verdachte een rol spelen en tevens de beperkte aanwezigheid van protectieve factoren. Geadviseerd wordt om een behandeling (psychomotore therapie (PMT) en Multidimensionale familietherapie (MDFT)) aan verdachte op te leggen in het kader van de bijzondere voorwaarden met daaraan een deels voorwaardelijk strafdeel gekoppeld. Verdachte heeft een duidelijke stok achter de deur nodig.
Door de Raad is in het rapport d.d. 15 september 2023 en ter terechtzitting naar voren gebracht dat voor de Multidimensionale familietherapie (MDFT) in combinatie met PMT een lange wachtlijst is. De jeugdreclassering heeft daarom in het kader van de begeleiding ervoor gekozen om vergelijkbare hulpverlening in te zetten, te weten [training] , [hulpverlening 1] en [hulpverlening 2] (individueel voor verdachte). Ook is [gezinsbegeleiding] recent gestart met gezinsbegeleiding. Verdachte laat een voorzichtige positieve ontwikkeling zien en hij heeft het traject bij [training] inmiddels positief afgesloten. Het is noodzakelijk om verdere recidive te voorkomen met een continuering van de huidige hulpverlening en toezicht door de jeugdreclassering. De Raad adviseert derhalve een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan de hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] , zolang deze is geïndiceerd;
meewerkt aan de begeleiding vanuit [hulpverlening 1] , zo lang deze is geïndiceerd;
onderwijs en/of een andere dagbesteding volgt en niet verzuimt;
actief en aantoonbaar op zoek gaat naar een positieve, structurele vrijetijdsbesteding (sporten, bijbaan) en deze behoudt;
meewerkt aan psychomotore therapie, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
meewerkt aan aanvullende hulpverlening, als de jeugdreclassering deze nodig acht;
zich gedurende een door Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, afdeling Jeugdreclassering, te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de Jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de
reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht.
Door de Jeugdreclassering is ter terechtzitting naar voren gebracht dat de begeleiding van verdachte wisselend is verlopen in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Voor verdachte is het van belang dat de huidige hulpverlening in het kader van het reclasseringstoezicht wordt voortgezet. Het is daarbij van belang dat verdachte de afspraken zal gaan nakomen en dat hij zich zal inzetten voor de hulpverlening. Verdachte lijkt momenteel minder beïnvloedbaar dan ten tijde van het door hem plegen van de ten laste gelegde feiten.
De rechtbank heeft kennis genomen van de conclusies van de deskundigen, zij neemt deze conclusies over en zij houdt daarmee in het voordeel van verdachte rekening bij het bepalen van de strafmaat.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, houdt de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de strafmaat geen rekening met de lange periode dat verdachte onder elektronisch toezicht heeft gestaan. Het is immers aan verdachte te wijten dat hij zich niet aan de eerdere opgelegde schorsingsvoorwaarden hield en dat daardoor een elektronisch toezicht nodig werd geacht.
Op te leggen straf
De door de officier van justitie gevorderde straf is naar het oordeel van de rechtbank passend. Door de officier van justitie is aftrek van het voorarrest gevorderd bij zowel de taakstraf als de deels voorwaardelijke jeugddetentie. Enkel om te voorkomen dat in de executie van het vonnis problemen kunnen ontstaan bij het verrekenen van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten, zal de rechtbank aan verdachte een straf opleggen die afwijkt van de daarop ziende vordering van de officier van justitie. De rechtbank zal aan verdachte opleggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 uur met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten en daarnaast een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 60 dagen met een proeftijd van 2 jaar. Daarbij zullen, naast de algemene voorwaarde dat verdachte zich in de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, de bijzondere voorwaarden opgelegd worden, zoals deze zijn gevorderd door de officier van justitie met als toevoeging dat naast dat verdachte onderwijs volgt, hij: “dan wel een andere zinvolle dagbesteding heeft”.
Dictum
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
parketnummer 02-247629-22:
feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen;
feit 3: een ander door bedreiging met geweld, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 4: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
parketnummer 02-036045-23:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
Parketnummer 02-131546-23:
Diefstal;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren;
- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 75 dagen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest (te weten negen dagen) heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;
- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan de hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] , zo lang de jeugdreclassering dit nodig acht;
meewerkt aan de begeleiding vanuit [hulpverlening 1] , zo lang de jeugdreclassering dit nodig acht;
onderwijs volgt dan wel een andere zinvolle dagbesteding heeft;
actief en aantoonbaar op zoek gaat naar positieve, structurele vrijetijdsbesteding (sporten, bijbaan) en deze behoudt;
meewerkt aan psychomotore therapie, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
meewerkt aan aanvullende hulpverlening, als de jeugdreclassering deze nodig acht;
- draagt de Stichting Jeugdbescherming Brabant als gecertificeerde instelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;
Voorwaarden daarbij zijn:
* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering uit te voeren door de Stichting Jeugdbescherming Brabant als gecertificeerde instelling;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Benadeelde partij [slachtoffer 1]
parketnummer 02-247629-22:
feit 1:
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van
€ 5,-, aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 september 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
Schadevergoedingsmaatregel
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het [slachtoffer 1] (feit 1), € 5,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 28 september 2022 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat verdachte met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is voor het gehele bedrag;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op;
Dit vonnis is gewezen door mr. Bogaert, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. Hamburger en mr. Van Term, (kinder)rechters, in tegenwoordigheid van Boink, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 oktober 2023.