Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-17
ECLI:NL:RBZWB:2023:7166
Strafrecht
Op tegenspraak
1,559 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/182647-22
vonnis van de meervoudige kamer van 17 oktober 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] ( [land] )
wonende te [woonadres]
raadsman mr. A. Goedkoop, advocaat te Breda
1Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 oktober 2023, waarbij de officier van justitie mr. I.M. Peters en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting heeft mr. B. van der Werf namens de benadeelde partij [slachtoffer] de vordering toegelicht.
2De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat dat verdachte op de openbare weg met anderen geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] .
3De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] . De camerabeelden laten zien dat er door de groep waartoe verdachte behoorde meerdere malen is geslagen in de richting van het hoofd en is geschopt in de richting het lichaam van aangever. Verdachte heeft een substantiële en materiële bijdrage geleverd aan het geweld door aangever mee op te jagen. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte heel dicht op het geweld staat. Ook loopt verdachte vooraan en gebarend achter [slachtoffer] aan als [slachtoffer] richting [café] loopt. Verdachte gaat mee in de aanvalsgolf en heeft daarmee een intellectuele en materiële bijdrage geleverd aan het geweld.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat verdachte geen opzet heeft gehad op het in vereniging plegen van openlijk geweld en hij daaraan geen wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd. Verdachte heeft geen geweldshandelingen gepleegd. Het zich niet distantiëren van het geweld en zijn enkele aanwezigheid waardoor de groep die geweld pleegde getalsmatig werd versterkt is onvoldoende voor een veroordeling.
4.3
Beoordeling
Op grond van het dossier stelt de rechtbank vast dat op 5 november 2021 in het centrum van Breda aan de Vismarktstraat een geweldsincident heeft plaatsgevonden waarbij geweld is gebruikt tegen aangever [slachtoffer] . [slachtoffer] is daarbij door een groep jongens belaagd, waarbij hij door hen is geslagen en geschopt.
De rechtbank stelt voorop dat van het “in vereniging” plegen van geweld sprake is, indien een verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die “in vereniging” geweld pleegt. De rechtbank dient te beoordelen of de door verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
Verdachte heeft hierover verklaard dat hij zichzelf herkent op de camerabeelden als een van de personen die samen met de medeverdachten achter [slachtoffer] aanrent. Verdachte kan zich niet meer goed herinneren wat er is gebeurd. Hij liep mee uit nieuwsgierigheid en om verhaal te halen. Hij had niet de intentie om ruzie te maken.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de camerabeelden dat verdachte bij de groep staat en met de groep meeloopt achter [slachtoffer] aan. Niet is gebleken dat verdachte op enig moment geweldshandelingen heeft gepleegd. De rechtbank heeft waargenomen dat verdachte een gedeelte van de achtervolging vooraan loopt, maar anders dan de officier van justitie neemt de rechtbank geen gebaren waar die duiden op het uitoefenen van geweld. De rechtbank stelt vast dat verdachte enkel aanwezig is geweest in de groep.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het op aangever uitgeoefende geweld. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het tenlastegelegde feit.
5De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert voor het feit een schadevergoeding van
€ 6.321,23, te weten € 321,23 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens is gevorderd de vordering hoofdelijk toe te wijzen.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Dictum
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering;
- veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer] in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. van Kralingen, voorzitter, mr. A.R. van Triest en
mr. R.H.M. Pooyé, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van Krevel, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 17 oktober 2023.
Mr. Van Triest en mr. Pooyé zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.