Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-20
ECLI:NL:RBZWB:2023:7133
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,521 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4131
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 26 augustus 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd met aanslagnummer [nummer] (hierna: de naheffingsaanslag).
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard en de daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en [naam] namens de heffingsambtenaar.
Beoordeling
2. Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het beroep van belanghebbende en is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. De auto met [kenteken] stond op 30 juli 2022 omstreeks 16:00 uur stil aan de Nazarethstraat in Tilburg. Tijdens een controle op voornoemde datum en tijd is door parkeercontroleurs met een scanauto geconstateerd dat geen parkeerbelasting was voldaan.
3.1.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 43,60 bestaande uit een bedrag aan belasting van € 1 en € 42,60 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Overwegingen
4. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Er was namelijk geen sprake van parkeren, maar slechts van het stilzetten van de auto in een parkeervak om vervolgens een oude vriezer af te geven bij zijn dochter die daar woont. Het afgeven heeft slechts vijf minuten geduurd. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft belanghebbende een uittreksel van zijn Google-tijdlijn van de bewuste zaterdagmiddag overgelegd.
4.1.
De rechtbank overweegt dat van laden of lossen sprake is bij het doen of laten staan van een voertuig voor het bij voortduring inladen of uitladen van zaken van enige omvang of enig gewicht, onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht en gedurende de tijd die daarvoor nodig is. Het moet daarbij gaan om zaken van een zodanige omvang of gewicht dat zij niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kunnen worden gehaald of gebracht. Indien belanghebbende zich erop beroept dat sprake is geweest van laden en lossen, zal vastgesteld moeten worden of het voertuig uitsluitend heeft stilgestaan zo lang als nodig was voor het ononderbroken verrichten van het geheel van handelingen dat redelijkerwijs noodzakelijk is om zaken als hiervoor bedoeld ter plaatse in ontvangst te nemen en in het voertuig te brengen, dan wel uit het voertuig te halen en aan de geadresseerde af te geven.
4.2.
Gelet op de geloofwaardige toelichting van belanghebbende ter zitting, in combinatie met de door hem overgelegde tijdslijn, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat hij goederen van enige omvang naar binnen heeft gebracht en dat hij bij voortduring bezig was met het uitladen van de vriezer gedurende de tijd die daarvoor nodig was. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat het een vriezer betrof en dat daarmee voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een zodanige omvang van een goed dat niet of bezwaarlijk op een andere wijze dan per voertuig ter plaatse kan worden gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is in dat geval sprake van het onmiddellijk laden en lossen van goederen zodat geen sprake is van parkeren. De naheffingsaanslag is derhalve ten onrechte aan belanghebbende opgelegd.
Conclusie
5. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd aan belanghebbende. Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel dient het door belanghebbende betaalde griffierecht aan hem te worden vergoed.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
vernietigt de naheffingsaanslag;
gelast dat de heffingsambtenaar het door betaalde griffierecht van € 50 aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Dondorp-Loopstra, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 20 oktober 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch.
Hoge Raad, 12 mei 1999, ECLI:NL:HR:1990:AA2760
Hoge Raad, 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:445