Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-10
ECLI:NL:RBZWB:2023:7024
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,069 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/3259
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
en
de Korpschef van Politie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de korpschef volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 20 januari 2023 om inzage te verkrijgen van hem betreffende persoonsgegevens op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
3. Partijen zijn het erover eens dat de beslistermijn voor de aanvraag was verstreken voordat eiser op 12 juni 2023 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag voldoet aan de vereisten zoals gesteld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dit brengt mee dat eiser rechtsgeldig beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
4. De rechtbank stelt vast dat de korpschef na het instellen van het beroep op 11 juli 2023 alsnog een besluit heeft genomen. Eiser kan zich in dit besluit vinden, maar heeft het beroep niet ingetrokken.
5. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eiser nog een procesbelang heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Weliswaar heeft eiser de rechtbank verzocht om de door de korpschef verbeurde dwangsom vast te stellen, maar de rechtbank stelt vast dat de korpschef in het besluit van 11 juli 2023 de maximale dwangsom van € 1.442,- al heeft vastgesteld.
5.1.
Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Omdat het besluit genomen is na het instellen van het beroep moet de korpschef wel het griffierecht aan eiser vergoeden.
5.2.
Eiser heeft gevraagd om vergoeding van de kosten voor juridisch advies ten hoogte van € 137,50. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding omdat deze kosten gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het beroepschrift is niet door een gemachtigde ingediend, maar door eiser zelf.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
bepaalt dat de korschef het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 10 oktober 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.