Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-11
ECLI:NL:RBZWB:2023:7016
Strafrecht
Raadkamer
1,458 tokens
Dictum
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats]
woonplaats kiezende ten kantore van mr. Y. Ameziane, Stationsweg 14 te 5211 TW ’s-Hertogenbosch.
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 3.860,63, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de kennisgeving sepot van 11 november 2022;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 28 juli 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. S.A.C. de Ridder als gemachtigd waarnemend advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak tegen hem is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Verzoeker heeft kosten voor rechtsbijstand moeten maken in het kader van deze strafzaak en stelt zich op het standpunt dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Verzocht wordt dan ook aan hem een vergoeding toe te kennen ter hoogte van € 3.860,63, te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
In raadkamer heeft de advocaat in aanvulling op het verzoekschrift voor de verzochte kosten op 3 november 2022 toegelicht dat – na veel correspondentie met het Openbaar Ministerie – het dossier pas op die datum is ontvangen en toen nog bestudeerd moest worden. Bij het bestuderen van het dossier wordt voorts gekeken naar termijnen, data en of het verhaal van cliënt klopt bij het dossier.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk en in raadkamer op het standpunt gesteld dat het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand (gedeeltelijk) moet worden afgewezen, omdat de kosten niet redelijk en billijk worden geacht gelet op de complexiteit van de strafzaak en de omvang van het procesdossier. De forfaitaire vergoeding kan wel worden toegewezen.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank is bevoegd om het verzoek in behandeling te nemen, nu de zaak in feitelijke aanleg bij de rechtbank is vervolgd, zou worden vervolgd of laatstelijk werd vervolgd.
Ingevolge artikel 530 Sv wordt aan de gewezen verdachte een vergoeding toegekend in
de ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, en kan een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd, in de kosten van een raadsman.
Ingevolge artikel 534, eerste en vierde lid, Sv vindt toekenning van een schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
De verzochte kosten aan rechtsbijstand dat de bestede uren aan cliëntcontacten, contacten met politie en het Openbaar Ministerie en de bestede uren op het politiebureau komen de rechtbank redelijk voor. De tijd voor de bestudering van het dossier en de bespreking met verzoeker op 3 november 2022 lijkt ruim gelet op de geringe omvang van het eindproces-verbaal, maar dat is voor de rechtbank onvoldoende aanleiding om te concluderen dat de kosten haar onredelijk hoog voorkomen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzochte bedrag aan kosten voor rechtsbijstand van € 3.860,63 toewijzen.
Voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer wordt het forfaitaire bedrag van € 680,00 toegekend.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv toe tot een bedrag van
€ 4.540,63, bestaande uit:
- € 3.860,63 aan kosten van rechtsbijstand; en
- € 680,00 de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
bepaalt dat een bedrag van € 4.540,63 zal worden overgemaakt op [rekeningnummer] ten name van Stichting Beheer Derdengelden Kuijpers & Nillesen Advocaten te ‘s-Hertogenbosch, onder vermelding van “[verzoeker]/20221545”.
Deze beslissing is op 11 augustus 2023 gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 augustus 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).