Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-04-26
ECLI:NL:RBZWB:2023:6957
Strafrecht
Raadkamer
1,519 tokens
Dictum
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] (Polen)
woonplaats kiezende ten kantore van mr. C. Stroobach, Verrijn Stuartweg 1 te 1112 AW Diemen.
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.
Procesverloop
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 533 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 1.450,00, voor vergoeding van schade wegens het niet kunnen beschikken over het rijbewijs voor de duur van 145 dagen;
€ 900,00, voor vergoeding van toekomstige schade wegens het niet kunnen beschikken over het rijbewijs voor de duur van drie maanden;
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 Sv ten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 2.175,29, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van de verzoekschriften dan wel € 680,00 bij behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
Dictum
het vonnis van de politierechter van 1 augustus 2022 waarbij verzoeker is veroordeeld;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 13 april 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. S.B.C. Nicolaes gehoord.
Verzoeker en mr. Stroobach zijn behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is in het verzoekschrift aangevoerd dat verzoeker, in verband met een verdenking van rijden onder invloed, op 13 december 2021 zijn rijbewijs aan de politie heeft overhandigd. De officier van justitie heeft op 23 december 2021 besloten het rijbewijs van verzoeker niet langer in te houden, maar door te sturen naar het CBR. Dit omdat er geen adres van verzoeker bekend was volgens de officier van justitie, hetgeen wel degelijk het geval was. Vervolgens is aan verzoeker door het CVOM medegedeeld dat er in eerste instantie geen reden was het rijbewijs te vorderen. Uiteindelijk is op 3 maart 2022 gebleken dat het rijbewijs naar de autoriteiten in Polen is gestuurd en heeft verzoeker zijn rijbewijs nog altijd niet terug. Het rijbewijs van verzoeker had niet mogen worden ingevorderd en van het Openbaar Ministerie had inspanning mogen worden verwacht om het rijbewijs terug te krijgen bij verzoeker. Verzoeker stelt schade te hebben geleden nu hij 145 dagen niet over zijn rijbewijs heeft kunnen beschikken en acht gelet op voorgaande gronden aanwezig aan hem een vergoeding toe te kennen. Verzocht wordt daarom aan hem een vergoeding toe te kennen van € 1.450,00. Daarnaast wordt verzocht om toekenning van toekomstige schade ter hoogte van € 900,00, bestaande uit schade wegens het niet beschikken over het rijbewijs voor de duur van drie maanden, nu verzoeker niet verwacht zijn rijbewijs binnen drie maanden terug te hebben. Voorts heeft verzoeker kosten voor rechtsbijstand gemaakt. Verzocht wordt om hem hiervoor een vergoeding toe te kennen van € 2.175,29, te vermeerderen met de forfaitaire kosten voor de indiening en behandeling van de verzoekschriften.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek, nu de strafzaak tegen hem nog niet is geëindigd. De behandeling van de zaak staat immers gepland op de politierechterzitting van 1 augustus 2022.
Beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank constateert dat de zaak tegen verzoeker op het moment van indiening van de verzoekschriften nog niet was geëindigd en dat verzoeker na indiening hiervan bij vonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2022 is veroordeeld wegens overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Daarbij is aan hem een geldboete opgelegd ter hoogte van € 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis, waarvan € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast is aan verzoeker een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opgelegd voor de duur van 180 dagen met aftrek conform artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994, waarvan 170 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De zaak is zodoende niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, zodat verzoeker niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoekschriften. Evenmin doet zich in onderhavige zaak een situatie voor als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 3 februari 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BG2191) en 16 juni 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1056) met betrekking tot het einde van een zaak, zodat verzoeker evenmin via deze weg ontvankelijk kan worden verklaard in zijn verzoekschriften.
Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat het niet kunnen beschikken over het rijbewijs gedurende slechts 10 dagen het gevolg is geweest van een strafrechtelijke inhouding. Indien verzoeker meent dat onrechtmatig is gehandeld omdat hij langer dan deze periode niet heeft kunnen beschikken over zijn rijbewijs, merkt de rechtbank op dat politie en justitie daarvoor een eigen schadeprocedure kent.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet ontvankelijk in zijn verzoekschriften.
Deze beslissing is op 26 april 2023 gegeven door mr. A. Hello, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 en ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv).