Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-10-05
ECLI:NL:RBZWB:2023:6902
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,548 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/3046
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], belanghebbende,
(gemachtigde: mr. R. Lammers),
en
De inspecteur van de belastingdienst.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 mei 2022.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd voor een bedrag van € 4.790.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.648.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en [naam] en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op haar aangifte van 28 april 2021 een bedrag van € 7.225 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorrijtuig Land Rover Range Rover Velar met VIN [nummer]. De datum eerste toelating van auto is 9 mei 2019.
4.1.
Bij de aangifte is voor de auto een taxatierapport gevoegd. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade gecorrigeerd van € 8.730,55, een correctie bijgeteld van € 200 voor de toepassing van een Xray matrix en een correctie in verband met geen oordeel van de kilometerstand van € 3.000 toegepast. In totaal is er een bedrag van € 11.530,55 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde van € 43.960.
4.2.
Belanghebbende is opgeroepen voor een hertaxatie door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in het taxatierapport van 11 mei 2021. Bij de hertaxatie wordt geen waardevermindering als gevolg van schade toegekend.
4.3.
De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm voor de auto moet worden vastgesteld op € 12.015. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
4.4.
Belanghebbende is tegen de naheffingsaanslag in bezwaar gegaan. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag verminderd met € 142.
Motivering
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
5. Belanghebbende stelt dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld dient te worden op basis van de in het door haar taxateur uitgevoerde marktonderzoek gebruikte referentievoertuigen verminderd met een correctie van 30% voor de marge. Volgens belanghebbende is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 43.960.
De inspecteur gaat uit van de handelsinkoopwaarde van € 52.885 zoals opgenomen in de Xray koerslijst.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de bewijslast voor de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op belanghebbende rust, omdat de afschrijving mede bepaald wordt op basis van deze waarde. Belanghebbende heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat niet aannemelijk gemaakt tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, omdat belanghebbende de totstandkoming evenals de noodzaak van de correctie van 30% op de gemiddelde waarde van de referentievoertuigen niet inzichtelijk heeft gemaakt. Daarbij komt dat de inspecteur de handelsinkoopwaarde uit de Xray koerslijst hanteert.
Waardevermindering wegens schade
6. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat er geen rekening is gehouden met de door belanghebbende gestelde schade. Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende dient de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handsinkoopwaarde aannemelijk te maken. De normale gebruiksschade kan niet in mindering gebracht worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet Bpm dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
6.1.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met een bedrag aan schade zoals opgenomen in het taxatierapport van haar taxateur. De rechtbank is van oordeel dat na het moment van de opname door de taxateur van belanghebbende schadeherstel heeft plaatsgevonden. De foto’s uit het rapport van DRZ laten namelijk geen schade zien en al wat er op die foto’s te zien is kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als normale gebruiksschade. Dat impliceert dat ten tijde van het doen van de aangifte (en de daarna volgende tenaamstelling bij de RDW) evenals de hertaxatie bij DRZ de schade reeds verholpen is. De auto diende immers gedurende ten hoogste zes werkdagen na de datum waarop de aangifte is ingediend in ongewijzigde staat beschikbaar te worden gehouden, teneinde het motorrijtuig in deze staat op een door de inspecteur aan te wijzen plaats en tijdstip te tonen. Op het moment van het doen van de aangifte is er dus geen sprake van schade die tot een waardevermindering leidt. Er is dan geen aanleiding om een waardevermindering wegens schade in aanmerking te nemen. De rechtbank is dus van oordeel dat belanghebbende de waardevermindering wegens schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbendes beroepsgrond dat de waardvermindering vastgesteld moet worden op een hoger percentage dan 72% van de begrote herstelkosten behoeft dan ook geen behandeling.
Ontbreken oordeel RDW over kilometerstand
7. Belanghebbende stelt dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand reden is om de waarde van de auto te verminderen met een bedrag van € 3.000.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand in beginsel een waardedrukkende factor zijn, temeer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De last om aannemelijk te maken dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur, op belanghebbende. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand of dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand dat niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. De rechtbank merkt daarbij op dat belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. In het taxatierapport wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Belanghebbende heeft dan ook ten onrechte een correctie van € 3.000 toegepast.
Artikel 110 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU)
8. Belanghebbende stelt dat het wettelijke systeem in strijd is met artikel 110 VWEU, omdat niet kan worden uitgesloten dat op de auto een hogere Bpm komt te rusten dan op gelijksoortige voertuigen die zijn geregistreerd in het kentekenregister. Belanghebbende heeft daartoe van vier referentievoertuigen rapporten uit het systeem van AutotelexPro overgelegd.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de referentievoertuigen gelijksoortig zijn. Belanghebbende heeft te weinig gegevens overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van gelijksoortige voertuigen. Met de door belanghebbende overgelegde gegevens is niet aangetoond dat in strijd met artikel 110 VWEU te veel Bpm is geheven. Een daadwerkelijke benadeling van uit andere lidstaten ingevoerde auto’s blijkt hieruit immers niet. Het beroep van belanghebbende op artikel 110 VWEU stuit daarop af.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier, op 5 oktober 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Artikel 8, lid 8, Uitvoeringsregeling BPM 1992.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/3046
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 oktober 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], belanghebbende,
(gemachtigde: mr. R. Lammers),
en
De inspecteur van de belastingdienst.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 4 mei 2022.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd voor een bedrag van € 4.790.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 4.648.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde en [naam] en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2].
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op haar aangifte van 28 april 2021 een bedrag van € 7.225 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorrijtuig Land Rover Range Rover Velar met VIN [nummer]. De datum eerste toelating van auto is 9 mei 2019.
4.1.
Bij de aangifte is voor de auto een taxatierapport gevoegd. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade gecorrigeerd van € 8.730,55, een correctie bijgeteld van € 200 voor de toepassing van een Xray matrix en een correctie in verband met geen oordeel van de kilometerstand van € 3.000 toegepast. In totaal is er een bedrag van € 11.530,55 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde van € 43.960.
4.2.
Belanghebbende is opgeroepen voor een hertaxatie door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in het taxatierapport van 11 mei 2021. Bij de hertaxatie wordt geen waardevermindering als gevolg van schade toegekend.
4.3.
De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm voor de auto moet worden vastgesteld op € 12.015. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.
4.4.
Belanghebbende is tegen de naheffingsaanslag in bezwaar gegaan. De inspecteur heeft de naheffingsaanslag verminderd met € 142.
Motivering
Handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
5. Belanghebbende stelt dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld dient te worden op basis van de in het door haar taxateur uitgevoerde marktonderzoek gebruikte referentievoertuigen verminderd met een correctie van 30% voor de marge. Volgens belanghebbende is de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 43.960.
De inspecteur gaat uit van de handelsinkoopwaarde van € 52.885 zoals opgenomen in de Xray koerslijst.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat de bewijslast voor de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op belanghebbende rust, omdat de afschrijving mede bepaald wordt op basis van deze waarde. Belanghebbende heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat niet aannemelijk gemaakt tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, omdat belanghebbende de totstandkoming evenals de noodzaak van de correctie van 30% op de gemiddelde waarde van de referentievoertuigen niet inzichtelijk heeft gemaakt. Daarbij komt dat de inspecteur de handelsinkoopwaarde uit de Xray koerslijst hanteert.
Waardevermindering wegens schade
6. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd omdat er geen rekening is gehouden met de door belanghebbende gestelde schade. Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende dient de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handsinkoopwaarde aannemelijk te maken. De normale gebruiksschade kan niet in mindering gebracht worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet Bpm dient onder normale gebruiksschade te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
6.1.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met een bedrag aan schade zoals opgenomen in het taxatierapport van haar taxateur. De rechtbank is van oordeel dat na het moment van de opname door de taxateur van belanghebbende schadeherstel heeft plaatsgevonden. De foto’s uit het rapport van DRZ laten namelijk geen schade zien en al wat er op die foto’s te zien is kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als normale gebruiksschade. Dat impliceert dat ten tijde van het doen van de aangifte (en de daarna volgende tenaamstelling bij de RDW) evenals de hertaxatie bij DRZ de schade reeds verholpen is. De auto diende immers gedurende ten hoogste zes werkdagen na de datum waarop de aangifte is ingediend in ongewijzigde staat beschikbaar te worden gehouden, teneinde het motorrijtuig in deze staat op een door de inspecteur aan te wijzen plaats en tijdstip te tonen. Op het moment van het doen van de aangifte is er dus geen sprake van schade die tot een waardevermindering leidt. Er is dan geen aanleiding om een waardevermindering wegens schade in aanmerking te nemen. De rechtbank is dus van oordeel dat belanghebbende de waardevermindering wegens schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbendes beroepsgrond dat de waardvermindering vastgesteld moet worden op een hoger percentage dan 72% van de begrote herstelkosten behoeft dan ook geen behandeling.
Ontbreken oordeel RDW over kilometerstand
7. Belanghebbende stelt dat de omstandigheid dat de RDW geen oordeel heeft gegeven over de juistheid van de kilometerstand reden is om de waarde van de auto te verminderen met een bedrag van € 3.000.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand in beginsel een waardedrukkende factor zijn, temeer omdat dit in bepaalde situaties zou kunnen duiden op tellerfraude en dit oordeel een omstandigheid is die, ook bij latere overdrachten, aan de auto blijft kleven. De last om aannemelijk te maken dat ook in het onderhavige geval sprake is van een dergelijk waardedrukkend effect, rust, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur, op belanghebbende. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onregelmatigheden met betrekking tot de kilometerstand of dat overigens sprake is van een waardevermindering door het ontbreken van een oordeel door de RDW over de kilometerstand dat niet reeds in de koerslijst is verdisconteerd. De rechtbank merkt daarbij op dat belanghebbende heeft volstaan met algemene stellingen en zich daarbij niet toegespitst op de concrete situatie van de onderhavige auto. In het taxatierapport wordt door de taxateur ook geen melding gemaakt van een mogelijk onjuiste kilometerstand of anderszins twijfel geuit over de betrouwbaarheid daarvan. Belanghebbende heeft dan ook ten onrechte een correctie van € 3.000 toegepast.
Artikel 110 Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU)
8. Belanghebbende stelt dat het wettelijke systeem in strijd is met artikel 110 VWEU, omdat niet kan worden uitgesloten dat op de auto een hogere Bpm komt te rusten dan op gelijksoortige voertuigen die zijn geregistreerd in het kentekenregister. Belanghebbende heeft daartoe van vier referentievoertuigen rapporten uit het systeem van AutotelexPro overgelegd.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting van de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de referentievoertuigen gelijksoortig zijn. Belanghebbende heeft te weinig gegevens overgelegd waaruit blijkt dat er sprake is van gelijksoortige voertuigen. Met de door belanghebbende overgelegde gegevens is niet aangetoond dat in strijd met artikel 110 VWEU te veel Bpm is geheven. Een daadwerkelijke benadeling van uit andere lidstaten ingevoerde auto’s blijkt hieruit immers niet. Het beroep van belanghebbende op artikel 110 VWEU stuit daarop af.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.D. Dockx, griffier, op 5 oktober 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Artikel 8, lid 8, Uitvoeringsregeling BPM 1992.