Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-20
ECLI:NL:RBZWB:2023:6639
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
753 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 19/217 WIA
uitspraak van 20 september 2023 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen
[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker,
[gemachtigde] ,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.
Procesverloop
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 3 december 2018 (bestreden besluit) van het UWV inzake zijn aanspraken op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Bij besluit van 21 april 2023 heeft het UWV het bestreden besluit gewijzigd en alsnog de mate van arbeidsongeschiktheid op 80 tot 100% vastgesteld.
Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV heeft meegedeeld bereid te zijn de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, te vergoeden.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 21 april 2023 dat het UWV aan verzoeker is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten.
Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 837,-- en een wegingsfactor 1).
3. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 46,-- aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.674,--.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.M.L. van de Sande, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 20 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.