Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-20
ECLI:NL:RBZWB:2023:6628
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
1,412 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 10254034 \\ CV EXPL 22-4778
Vonnis van 20 september 2023
in de zaak van
CE MEDICAL FACTORING B.V, m.h.o.d.n. ANDERS MEDICAL FACTORING,
te Barendrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: CE,
gemachtigde: Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V. te Groningen,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 mei 2023 en de daarin vermelde processtukken;
- de akte van de zijde van CE.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Volhard wordt bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van
31 mei 2023. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] voor het eerst gesteld dat hij het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht dat hij de factuur moet betalen, gezien de manier waarop hij door [naam] is behandeld tijdens het trekken van de tanden en kiezen en het plaatsen van de prothese. In het vonnis van
31 mei 2023 is CE in de gelegenheid gesteld om bij akte te reageren op de hiervoor genoemde stelling van [gedaagde]. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
2.2.
CE heeft bij voormelde akte het standpunt van [gedaagde] betwist bij gebrek aan bewijs. Verder vindt CE het opmerkelijk dat [gedaagde] de tanden en kiezen op
30 november 2021 heeft laten trekken en dat hij op 2 december 2021 terug is gegaan naar de tandarts voor de noodkunstgebitten. [gedaagde] is dus wel degelijk teruggegaan naar de tandarts na het trekken van de tanden en kiezen, aldus CE.
2.3.
Voorop wordt gesteld dat het verweer dat [gedaagde] heeft gevoerd dat de tandartsbehandeling zodanig was dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij de rekeningen moet betalen kans van slagen kan hebben, maar dat de lat voor toekenning van dat verweer uitermate hoog ligt. De kantonrechter stelt met CE vast dat stukken ter onderbouwing van de stelling van [gedaagde] ontbreken. De kantonrechter begrijpt dat het voor [gedaagde] lastig om daarvan bewijsstukken in het geding te brengen, maar als de behandeling echt zo pijnlijk en vreselijk was geweest, waren de gevolgen daarvan zichtbaar geweest en hadden bijvoorbeeld foto’s of een doktersverklaring kunnen worden overgelegd. Nu [gedaagde] dit heeft nagelaten, zal de kantonrechter zijn stelling als onvoldoende onderbouwd passeren. Daarnaast heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij na het trekken van de tanden nooit meer terug is gegaan naar de tandarts, terwijl dit volgens CE wel het geval is geweest, hetgeen ook de kantonrechter bevreemdt. Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] zijn stelling dat de behandeling zodanig was dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om de facturen te betalen, onvoldoende gesteld en aannemelijk heeft gemaakt. Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen.
2.4.
CE hanteert een onjuiste ingangsdatum voor de wettelijke rente. Op grond van artikel 6:119 is een partij wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van verzuim.
In het onderhavige geval zijn de facturen op 8 november 2021 en 4 december 2021 gestuurd, zodat gedaagde in verzuim verkeert na afloop van de daarin gestelde termijn van 30 dagen, dus vanaf 9 december 2021 en 4 januari 2022.
2.5.
CE maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
2.6.
[gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van CE als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding € 107,22
- griffierecht € 322,00
- salaris gemachtigde € 497,50 (2,5 x € 199,00)
- nakosten € 99,50 (0,5 x € 199,00)
Totaal: € 1.026,22
Dictum
De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan CE te betalen een bedrag van € 1.261,81 vermeerderd met de wettelijke rente over € 72,35 vanaf 9 december 2021 en over € 1.024,88 vanaf 4 januari 2022, telkens tot aan de dag der algehele voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van CE tot op heden begroot op € 1.026,22, daarin begrepen een bedrag van € 497,50 als salaris voor de gemachtigde van CE;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rouwen en in het openbaar uitgesproken op
20 september 2023.