Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-14
ECLI:NL:RBZWB:2023:6571
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,829 tokens
Inleiding
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.22108
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N.R.H. Boon),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Op 2 augustus 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Eiser heeft op 9 mei 2022 een asielaanvraag ingediend. Op 4 januari 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Eiser heeft hiertegen op 4 januari 2023 beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft bij uitspraak van 6 februari 2023 (NL23.343) het beroep van eiser gegrond verklaard en daarbij aan verweerder opgedragen binnen vier weken na de dag van bekendmaking van het proces-verbaal, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag. Het hoger beroep tegen deze uitspraak is op 7 juni 2023 door de Afdeling ongegrond verklaard. Hieruit volgt dat verweerder uiterlijk op 5 juli 2023 een nieuw besluit had moeten nemen op eisers asielaanvraag. Vaststaat dat verweerder geen gevolg hieraan heeft gegeven. Eiser heeft verweerder 14 juli 2023 rechtsgeldig in gebreke gesteld. Op 2 augustus 2023 heeft eiser beroep ingesteld. Er zijn tussen de ingebrekestelling en het beroep twee weken verstreken, zodat het beroep tijdig is ingediend. Het beroep is dan ook kennelijk gegrond.
3. Ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, kan de bestuursrechter het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten
met inachtneming van zijn aanwijzingen. Daarbij kan hij het bestuursorgaan een termijn
stellen voor het nemen van het nieuwe besluit of het verrichten van de andere handeling.
4. Zoals de Afdeling heeft overwogen, houdt de rechter er in asielzaken rekening mee dat verweerder aanvragen binnen een redelijke termijn moet hebben behandeld. Bij de bepaling van de nadere termijn is van belang dat de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt. De rechter stelt dus geen nadere termijn waarvan op voorhand vaststaat dat het bestuursorgaan niet zorgvuldig te werk kan gaan. Volgens de Afdeling is een termijn van acht weken voor het houden van een eerste gehoor en een termijn van acht weken hierna
voor het bekend maken van een besluit op de aanvraag (het 8+8-weken model) passend.
5. Uit het dossier blijkt dat van eiser een aanmeldgehoor is afgenomen, waarna eerder een voornemen en beschikking is uitgebracht. Uit het dossier volgen geen verdere aanknopingspunten dat eiser opnieuw moet worden gehoord of dat verweerder nader onderzoek wil verrichten. De rechtbank zal daarom, in afwijking van de voornoemde uitspraak van de Afdeling, bepalen dat verweerder binnen vier weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden, een nieuw besluit moet nemen.
6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, rechtsoverwegingen 7.2, 7.7, 7.8, 7.12, 7.13 en 7.14 leidt de rechtbank af dat het onthouden van de mogelijkheid van een rechterlijke dwangsom in zaken als de onderhavige te zeer afbreuk doet aan de effectiviteit van het rechtsmiddel van beroep. In navolging van genoemde Afdelingsuitspraak moet worden aangenomen dat dit in strijd komt met het Unierechtelijk doeltreffendheidsbeginsel en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel zoals vervat in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Artikel 1 van de gewijzigde Tijdelijke wet moet dan ook onverbindend worden geacht voor zover daarin aan de vreemdelingenrechter de mogelijkheid wordt onthouden om aan zijn uitspraak een dwangsom te verbinden.
7. De rechtbank zal gelet hierop bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat hij in gebreke blijft deze uitspraak na te leven ter hoogte van € 100 per dag met een maximum van € 7.500.
8. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze
uitspraak alsnog een besluit bekend te maken op de asielaanvraag van eiser;
bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro) verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro);
veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 418,50 (vierhonderdachttien euro en vijftig cent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Spruijt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.
Op grond van 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2180.
In haar uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560.
Dit volgt ook uit artikel 31, tweede lid, richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn).
ECLI:NL:RVS:2022:1810.