Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-07
ECLI:NL:RBZWB:2023:6399
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,181 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/3646 WSFBSF
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), verweerder.
Procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van DUO van 8 juli 2021.
1.1
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een beroepschrift geldt een termijn van zes weken. Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Dat is in dit soort gevallen de dag na de dag waarop het besluit is toegezonden/gepubliceerd. Een beroepschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.
3.1
Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.
Is het beroep te laat ingediend?
4. Vast staat dat DUO het bestreden besluit bekend heeft gemaakt op 8 juli 2021 door verzending per post, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 19 augustus 2021.
4.1
Eiser heeft op 5 juli 2023 digitaal beroep ingesteld. Het beroepschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verschoonbaar?
5. Eiser heeft als reden voor de te late indiening van het beroepschrift aangegeven dat hij volledig onbekend was met het juridisch proces. Eiser voelde zich overweldigd en verloren en het gebrek aan kennis en ervaring weerhield hem er van om direct actie te ondernemen. Doordat het afbetalen van eisers studieschuld dit jaar is gestart, kwam het onderwerp ter sprake en heeft een vriend van hem geholpen.
5.1
Hetgeen eiser heeft aangevoerd is geen verontschuldiging voor dit verzuim. Dat eiser zich overweldigd en verloren voelde is uiteraard vervelend, maar enkel de stelling van eiser zonder verdere onderbouwing is niet voldoende. Het is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat eiser niet in staat is geweest tijdig een beroepschrift in te dienen of een ander in te schakelen om dit namens hem te doen. Mede bij gebrek aan juridische kennis of digitale vaardigheden is het verstandig om (tijdig) iemand in te schakelen of zichzelf te laten informeren. Eiser is daar zelf voor verantwoordelijk.
Conclusie
6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.