Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-06
ECLI:NL:RBZWB:2023:6387
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,572 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats: Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/3876 PW
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2023 in de zaak tussen
[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), uit [plaats] ,
hierna gezamenlijk aangeduid als eisers,
(gemachtigde: mr. J.L.A.M. van Os),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg, college.
Procesverloop
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 14 juli 2022 (bestreden besluit).
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Partijen hebben aangegeven geen prijs te stellen op een behandeling ter zitting. De rechtbank heeft het onderzoek daarom gesloten met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling
1. Eisers ontvingen sinds 4 februari 2019 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Bij besluit van 7 april 2022 (primair besluit I) heeft het college de bijstandsuitkering van eisers per 26 februari 2022 beëindigd (de rechtbank begrijpt: ingetrokken) en een bedrag van € 1.092,61 van hen teruggevorderd vanwege verblijf in het buitenland.
Bij besluit van 19 april 2022 (primair besluit II) heeft het college aan eisers meegedeeld dat zij met ingang van 26 februari 2022 geen recht meer hebben op bijzondere bijstand voor bewindvoerderskosten en dat een bedrag van € 138,99 van hen wordt teruggevorderd vanwege verblijf in het buitenland.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.
Met het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college wijzigt de datum waarop de algemene en bijzondere bijstand is ingetrokken van 26 februari 2022 naar 27 februari 2022. Het bedrag dat eisers moeten terugbetalen wordt verlaagd.
2. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat het college miskent dat er noodzakelijke (medische) gronden kunnen bestaan om een langer verblijf in het buitenland te rechtvaardigen. Onverkorte handhaving van het territorialiteitsbeginsel is in strijd met de redelijkheid en billijkheid en doet tekort aan het maatwerk waartoe de Participatiewet (PW) verplicht.
3. Tussen partijen is niet in geschil dat eisers langer dan vier weken in het buitenland hebben verbleven en dat zij daarom op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW geen recht hebben op bijstand met ingang van 27 februari 2022.
4. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e van de PW is dwingend geformuleerd en is neergelegd in een wet in formele zin. Een wet in formele zin kan niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en voor een contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel is naar het oordeel van de rechtbank geen grond.
5. Het college kan toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de PW. Zeer dringende redenen in de zin van deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Van een acute noodsituatie is in ieder geval sprake als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn, maar is niet tot die situaties beperkt. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van een acute noodsituatie. Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet zal moeten worden meegewogen of het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. Daarbij is verder van belang dat de wetgever bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ heeft gedacht aan een extreme situatie en nadrukkelijk niet heeft beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is (zie uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985).
6. Omdat artikel 16, eerste lid, van de PW een uitzondering is op de hoofdregel van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e van de PW moeten eisers aannemelijk maken dat zij in acute noodsituatie, zoals uitgelegd onder rechtsoverweging 5, verkeerden. Zij zijn daarin niet geslaagd. Uit de enkele stelling in beroep dat er noodzakelijke (medische) gronden kunnen bestaan om een langer verblijf in het buitenland te rechtvaardigen volgt niet dat zij in een acute noodsituatie verkeerden, ook niet nu dit begrip ruimer wordt opgevat dan voorheen.
7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college terecht is overgegaan tot intrekking van de bijstandsuitkering met ingang van 27 februari 2022.
8. Tegen de terugvordering en de intrekking van de bijzondere bijstand hebben eisers geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat dit geen bespreking behoeft.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond wordt verklaard krijgen eisers geen proceskostenvergoeding. Ook krijgen eisers het griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier op 6 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.