Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-01
ECLI:NL:RBZWB:2023:6338
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,436 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5029
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Veere, de heffingsambtenaar,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 september 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
2. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is aan belanghebbende opgelegd voor het parkeren met een auto met [kenteken] (hierna: de auto) op 26 juni om 2022 om 12:13 uur op een parkeerplaats bij de Jumbo aan de [adres] .
2.1.
Op de parkeerplaats bij de Jumbo aan de [adres] mag alleen tegen betaling van parkeerbelasting worden geparkeerd
2.2.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 71,70, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 5,20 en € 66,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht en tot het juiste bedrag de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag parkeerbelasting tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
3.2.
Niet in het geschil is dat de auto op 26 juni 2022 geparkeerd stond op een parkeerplaats bij de Jumbo aan de [adres] zonder dat hiervoor de verschuldigde parkeerbelasting is betaald.
3.3.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd omdat hij korter dan een half uur heeft geparkeerd.
3.4.
De heffingsambtenaar stelt dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Volgens de heffingsambtenaar wordt er middels P01-borden en parkeerautomaten aangegeven dat er op de parkeerplaats bij de Jumbo aan de [adres] betaald moet worden voor parkeren. De heffingsambtenaar wijst er verder nog op dat de wijze waarop een gratis parkeerkaartje kan worden verkregen wordt gecommuniceerd op de tariefkaart die in de parkeerautomaat zit en dat de Jumbo zelf boven de parkeerautomaten een aanwijzing heeft opgehangen hoe het gratis parkeerkaartje kan worden verkregen.
3.5.
De rechtbank stelt voorop dat parkeerbelasting als uitgangspunt direct bij aanvang van het parkeren verschuldigd is, dus direct nadat de auto wordt geparkeerd.Om in aanmerking te kunnen komen voor het tarief van € 0,00 voor de eerste 60 minuten parkeren diende belanghebbende bij aanvang van het parkeren een parkeerticket uit de automaat te halen en zichtbaar achter de vooruit van de auto de plaatsen. . Anders is het namelijk voor de parkeercontroleur niet te controleren wanneer de eerste gratis 60 minuten zijn aangevangen. Vast staat dat belanghebbende geen parkeerkaartje heeft gepakt bij de aanvang van het parkeren, zodat de naheffingsaanslag als uitgangspunt terecht aan belanghebbende is opgelegd. Het had op de weg van belanghebbende gelegen, zeker nu hij voor het eerste in [plaats 2] verbleef, om voorafgaande aan het parkeren zich op de hoogte te stellen van de parkeersituatie ter plaatse. Nu hij dat niet heeft gedaan, dient de omstandigheid dat hij geen parkeerkaartje heeft gepakt bij de aanvang van het parkeren voor zijn rekening en risico te blijven.
3.6.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De hoogte van de naheffingsaanslag wordt bepaald door het ter plaatse geldende parkeertarief voor één uur parkeren vermeerderd met de kosten die bij een naheffingsaanslag in rekening gebracht mogen worden. De hoogte van de naheffingsaanslag staat dus los van de daadwerkelijke parkeerduur en de omstandigheid dat de eerste 60 minuten parkeren gratis zijn.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van M.J.D.I.M. Vinken, griffier, op 1 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Hoger beroep moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie artikel 5, eerste lid, in samenhang met artikel 6, eerste lid, en artikel 2, onderdeel a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen van de gemeente Veere.
Bijlage 1 bij de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen van de gemeente Veere. De kosten mogen in rekening worden gebracht ingevolge artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5029
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 september 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats 1] , belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Veere, de heffingsambtenaar,
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 september 2022.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Feiten
2. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is aan belanghebbende opgelegd voor het parkeren met een auto met [kenteken] (hierna: de auto) op 26 juni om 2022 om 12:13 uur op een parkeerplaats bij de Jumbo aan de [adres] .
2.1.
Op de parkeerplaats bij de Jumbo aan de [adres] mag alleen tegen betaling van parkeerbelasting worden geparkeerd
2.2.
Naar aanleiding van de constatering dat geen parkeerbelasting was voldaan, is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd van € 71,70, bestaande uit een bedrag aan belasting van € 5,20 en € 66,50 aan kosten van de naheffingsaanslag.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar terecht en tot het juiste bedrag de naheffingsaanslag parkeerbelasting aan belanghebbende heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die belanghebbende heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag parkeerbelasting tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
3.2.
Niet in het geschil is dat de auto op 26 juni 2022 geparkeerd stond op een parkeerplaats bij de Jumbo aan de [adres] zonder dat hiervoor de verschuldigde parkeerbelasting is betaald.
3.3.
Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd omdat hij korter dan een half uur heeft geparkeerd.
3.4.
De heffingsambtenaar stelt dat de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Volgens de heffingsambtenaar wordt er middels P01-borden en parkeerautomaten aangegeven dat er op de parkeerplaats bij de Jumbo aan de [adres] betaald moet worden voor parkeren. De heffingsambtenaar wijst er verder nog op dat de wijze waarop een gratis parkeerkaartje kan worden verkregen wordt gecommuniceerd op de tariefkaart die in de parkeerautomaat zit en dat de Jumbo zelf boven de parkeerautomaten een aanwijzing heeft opgehangen hoe het gratis parkeerkaartje kan worden verkregen.
3.5.
De rechtbank stelt voorop dat parkeerbelasting als uitgangspunt direct bij aanvang van het parkeren verschuldigd is, dus direct nadat de auto wordt geparkeerd.Om in aanmerking te kunnen komen voor het tarief van € 0,00 voor de eerste 60 minuten parkeren diende belanghebbende bij aanvang van het parkeren een parkeerticket uit de automaat te halen en zichtbaar achter de vooruit van de auto de plaatsen. . Anders is het namelijk voor de parkeercontroleur niet te controleren wanneer de eerste gratis 60 minuten zijn aangevangen. Vast staat dat belanghebbende geen parkeerkaartje heeft gepakt bij de aanvang van het parkeren, zodat de naheffingsaanslag als uitgangspunt terecht aan belanghebbende is opgelegd. Het had op de weg van belanghebbende gelegen, zeker nu hij voor het eerste in [plaats 2] verbleef, om voorafgaande aan het parkeren zich op de hoogte te stellen van de parkeersituatie ter plaatse. Nu hij dat niet heeft gedaan, dient de omstandigheid dat hij geen parkeerkaartje heeft gepakt bij de aanvang van het parkeren voor zijn rekening en risico te blijven.
3.6.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de naheffingsaanslag niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. De hoogte van de naheffingsaanslag wordt bepaald door het ter plaatse geldende parkeertarief voor één uur parkeren vermeerderd met de kosten die bij een naheffingsaanslag in rekening gebracht mogen worden. De hoogte van de naheffingsaanslag staat dus los van de daadwerkelijke parkeerduur en de omstandigheid dat de eerste 60 minuten parkeren gratis zijn.
Conclusie
4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag parkeerbelasting in stand blijft.
Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, rechter, in aanwezigheid van M.J.D.I.M. Vinken, griffier, op 1 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Hoger beroep moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie artikel 5, eerste lid, in samenhang met artikel 6, eerste lid, en artikel 2, onderdeel a, van de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen van de gemeente Veere.
Bijlage 1 bij de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen van de gemeente Veere. De kosten mogen in rekening worden gebracht ingevolge artikel 234, vijfde lid, van de Gemeentewet.