Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-06
ECLI:NL:RBZWB:2023:6317
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
3,095 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10403701 \ CV EXPL 23-666
Vonnis van 6 september 2023
in de zaak van
VERENIGING VAN EIGENAARS [eiser01]
,
te [plaats01] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de VVE,
[gemachtigde01] ,
tegen
[gedaagde01]
,
te [plaats02] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde01] ,
gemachtigde: mr. B. van Leeuwen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 mei 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
1.2.
De gemachtigde van [gedaagde01] heeft op 1 augustus 2023 stukken overgelegd ten behoeve van de mondelinge behandeling.
1.3.
De gemachtigde van de VVE heeft op 3 augustus een akte houdende wijziging van eis tevens overlegging producties ten behoeve van de mondelinge behandeling ingediend.
1.4.
Op 15 augustus 2023 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Na het sluiten van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter vonnis bepaald op vandaag.
Feiten
2.1.
[gedaagde01] is eigenaar van zes appartementsrechten in een appartementencomplex gelegen aan de [adres01] te [plaats01] .
2.2.
Alle eigenaren van de appartementsrechten dienen maandelijks een VVE-bijdrage te betalen aan de Vereniging van Eigenaars [eiser01] .
Geschil
3.1.
De VVE vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagde01] tot betaling van € 2.999,19, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
De VVE heeft aan haar vordering – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde01] heeft een bedrag van € 2.181,50 wegens voorschotbijdrage over de maand mei 2023 en de eindafrekening van het jaar 2022, onbetaald gelaten. [gedaagde01] is als eigenaar van het appartementsrecht gehouden dit bedrag te voldoen. Ondanks aanmaningen voldoet [gedaagde01] voornoemd bedrag niet. De VVE maakt om die reden ook aanspraak op € 779,35 inclusief btw wegens buitengerechtelijke incassokosten en € 38,34 wegens wettelijke rente tot 10 maart 2023
.
3.3.
[gedaagde01] voert – samengevat – het volgende verweer. De VVE-bijdrage voor de maanden juni (van € 781,76) en juli 2022 (van € 843,01) zijn onbetaald gelaten. Evenals een bedrag van € 367,38 aan ‘verrekening herziene begroting jan-2022 – jun-2022’. Dit betreft in totaal € 1.992,17. [gedaagde01] heeft deze bedragen niet voldaan omdat [gedaagde01] zich heeft beroepen op verrekening. [gedaagde01] wenst een vergoeding van de VVE te ontvangen ter grootte van een deel van de factuur van VLDW Advocaten van 4 oktober 2021 van € 2.501,07. Op de VVE-vergadering van 4 september 2021 is de advocaat van [gedaagde01] verschenen. De voorzitter heeft op deze vergadering besloten het agendapunt, waar de advocaat van [gedaagde01] mondeling op wilde reageren, niet meer te behandelen. Vervolgens is de advocaat van [gedaagde01] ten onrechte het woord niet gegeven. De advocaat van [gedaagde01] heeft zich daardoor onnodig voorbereid en nodeloos de vergadering bijgewoond. De VVE heeft daarmee onrechtmatig gehandeld en [gedaagde01] heeft daardoor schade geleden. Het beroep op verrekening maakt dat [gedaagde01] geen betaling aan de VVE verschuldigd is. Voorts heeft [gedaagde01] meermaals verzocht overleg te plegen om tot een oplossing te komen. De VVE heeft een dergelijk gesprek belet waardoor zij in schuldeisersverzuim verkeert. Ook om die reden dient de gevorderde wettelijke rente afgewezen te worden.
Beoordeling
4.1.
[gedaagde01] heeft op 18 juli 2023 een bedrag van € 189,33 betaald. Op de mondelinge behandeling hebben partijen bevestigd dat de hoofdsom thans € 1.992,17 bedraagt. [gedaagde01] is dit bedrag aan de VVE verschuldigd, maar heeft aangevoerd dat hij een beroep doet op verrekening, waardoor beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet zouden zijn gegaan.
4.2.
Volgens artikel 6:127 lid 1 BW kan de schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft, aan zijn schuldeiser verklaren dat hij zijn schuld met een vordering verrekent. In dat geval gaan beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet. Lid 2 van ditzelfde artikel bepaalt dat een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening heeft wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld ten opzichte van dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. De wettelijke regeling omtrent verrekening is krachtens het bepaalde in artikel 6:127 BW van regelend recht, waarvan bij overeenkomst kan worden afgeweken. De VVE heeft op de mondelinge behandeling aangevoerd dat de bevoegdheid tot verrekening van VVE-bijdragen is uitgesloten. [gedaagde01] heeft dit gemotiveerd betwist. De kantonrechter gaat gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde01] aan de stelling van de VVE voorbij, nu zij haar stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. Ter beoordeling ligt voorts of [gedaagde01] een opeisbare vordering heeft op de VVE. Aan het verrekeningsverweer heeft [gedaagde01] ten grondslag gelegd dat de VVE onrechtmatig heeft gehandeld door de advocaat van [gedaagde01] het woord te weigeren op de vergadering van 4 september 2021. De kantonrechter gaat hieraan voorbij om redenen als volgt. [gedaagde01] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat hij zijn advocaat uit eigen beweging naar de VVE-vergadering van 4 september 2021 heeft laten gaan. Niet is gebleken dat [gedaagde01] de VVE had ingelicht over zijn voornemen om een advocaat op de vergadering aanwezig te laten zijn en dat hiermee kosten waren gemoeid, die voor rekening van de VVE zouden dienen te komen. De VVE was verder ook niet gehouden de advocaat van [gedaagde01] het woord te geven op de vergadering, althans er is niet gesteld en ook niet gebleken dat sprake was van omstandigheden, die meebrengen dat de VVE daartoe wel gehouden zou zijn. De VVE heeft gelet hierop dan ook niet onrechtmatig jegens [gedaagde01] gehandeld. Daarnaast blijkt dat de door [gedaagde01] ter verrekening overgelegde factuur niet aan hem is gericht, maar aan [gedaagde01] BV. [gedaagde01] BV is geen partij in deze procedure, noch is zij eigenaar van een appartementsrecht behorende tot het appartementencomplex gelegen aan de [adres01] te [plaats01] . Ook om die reden heeft [gedaagde01] geen opeisbare vordering jegens de VVE.
Het voorgaande maakt dat [gedaagde01] zal worden veroordeeld tot het betalen van € 1.992,17 aan hoofdsom.
wettelijke rente
4.3.
[gedaagde01] heeft aangevoerd dat hij geen wettelijke rente is verschuldigd over de hoofdsom, omdat er sprake is van schuldeisersverzuim. Volgens artikel 6:58 BW komt de schuldeiser in verzuim, wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend. [gedaagde01] heeft gesteld dat hij meerdere malen heeft verzocht om persoonlijk in overleg te treden om tot een oplossing te komen. De kantonrechter volgt [gedaagde01] hierin niet. Het uitblijven van een gesprek met het bestuur van de VVE is geen verhindering om de verschuldigde VVE-bijdrage te kunnen voldoen. Daarnaast is het de vraag wat [gedaagde01] in een dergelijk gesprek wilde bereiken, aangezien alle beslissingen binnen een Vereniging van Eigenaars in een vergadering dienen te worden genomen. [gedaagde01] zal dan ook worden veroordeeld tot het betalen van de gevorderde wettelijke rente. Aangezien [gedaagde01] reeds betalingen heeft verricht vóór het uitbrengen van de dagvaarding is de door de VVE gevorderde rente tot 10 maart 2023 te hoog. De kantonrechter zal om die reden de gevorderde rente van € 38,34 afwijzen en in plaats daarvan de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid toewijzen.
buitengerechtelijke incassokosten
4.4.
De VVE vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De vordering van € 779,35 inclusief btw als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief van € 361,58 bij € 1.992,17 in hoofdsom. Het gevorderde bedrag is ook hoger dan het in de aanmaning van 6 januari 2023 vermelde bedrag van € 361,58. De kantonrechter wijst daarom € 361,58 inclusief btw toe.
proceskosten
4.5.
[gedaagde01] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De VVE heeft in de dagvaarding een te hoge vordering ingesteld. Uit de stukken blijkt dat [gedaagde01] vóór betekening van de dagvaarding – op 6 maart 2023 – een bedrag heeft betaald van € 3.380,59. In dat geval had de hoofdsom € 2.001,27 bedragen en was een bedrag van € 365,00 aan griffierecht verschuldigd geweest in plaats van € 514,00. De VVE dient om die reden het verschil tussen het griffierecht zelf te dragen. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van de VVE als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
€
129,77
- griffierecht
€
365,00
- salaris gemachtigde
€
398,00
(2,00 punten × € 199,00)
- nakosten
€
132,00
Totaal
€
1.024,77
Dictum
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde01] om aan de VVE te betalen een bedrag van € 1.992,17, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van verschuldigdheid, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde01] om aan de VVE te betalen een bedrag van € 361,58 inclusief btw wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de zijde van de VVE tot dit vonnis vastgesteld op € 1.024,77, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling, alsmede voornoemd bedrag te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Wordt bij niet betaling het vonnis daarna betekend, dan moet [gedaagde01] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op
6 september 2023.