Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-06
ECLI:NL:RBZWB:2023:6156
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,390 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/1882
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr.drs. J.C. Scherff),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 13 februari 2023, betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk gegrond is.
Beoordeling
2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. De naheffingsaanslag heeft als dagtekening 30 augustus 2022 en zou op 5 september 2022 aan belanghebbende zijn verzonden. Met dagtekening 5 oktober 2022 is aan belanghebbende een aanmaning verzonden voor betaling van de naheffingsaanslag. Met dagtekening 7 november 2022 is er een dwangbevel uitgevaardigd.
4. Het bezwaarschrift, gedagtekend 16 november 2022, is op diezelfde dag bij de heffingsambtenaar ontvangen.
5. Belanghebbende betwist de ontvangst en daarmee de verzending van de naheffingsaanslag. Het is dan aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslag is verzonden. Daarbij is in ieder geval vereist dat de naheffingsaanslag is voorzien van een juiste adressering en een verzenddatum en dat er sprake is van een deugdelijke verzendadministratie.
6. De heffingsambtenaar heeft in het verweerschrift aangegeven dat in bijlage 2 de verzendadministratie wordt overgelegd. De rechtbank oordeelt dat de stukken die de heffingsambtenaar heeft overgelegd niet zijn aan te merken als een deugdelijke verzendadministratie. Wil een verzendadministratie deugdelijk zijn, dan moet hieruit duidelijk blijken wanneer het poststuk is aangeboden aan welk postvervoersbedrijf. Dat is hier niet het geval.
7. Nu er geen deugdelijke verzendadministratie is overgelegd, is niet aannemelijk gemaakt dat de naheffingsaanslag is verzonden en daarmee op de juiste wijze is bekend gemaakt.
8. Niet gesteld of gebleken is verder dat de naheffingsaanslag tussen de datum van dagtekening en de datum van het bezwaar wel op de juiste wijze bekend is gemaakt. Dat belanghebbende er via het dwangbevel achter is gekomen dat sprake is van een naheffingsaanslag is niet gelijk te stellen aan een bekendmaking op de voorgeschreven wijze.
9. Gelet op het voorgaande was ten tijde van het maken van bezwaar nog geen sprake van een juiste bekendmaking van de naheffingsaanslag. Wel is aannemelijk dat de naheffingsaanslag al tot stand was gekomen. In dat geval is sprake van een ontvankelijk prematuur bezwaar op grond van artikel 6:10 van de Awb.
10. Het bezwaar is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het beroep is kennelijk gegrond. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar moet alsnog inhoudelijk op het bezwaar beslissen.
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoeden.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt belanghebbende een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De heffingsambtenaar moet die vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5).
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de heffingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50 aan belanghebbende te vergoeden;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 6 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
(de rechter is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Bijlage bij ECLI:NL:GHSHE:2021:3315