Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-06
ECLI:NL:RBZWB:2023:6153
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,393 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/1611
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], Duitsland, belanghebbende
([gemachtigde]),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 24 februari 2023, betreffende de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020, met [aanslagnummer]H.06.01.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Procesverloop
2. Belanghebbende heeft bij brief van 9 januari 2023 bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020. Daarbij heeft belanghebbende verzocht om de kosten van het bezwaar te vergoeden.
2.1.
In de uitspraak op bezwaar van 24 februari 2023 is aan het bezwaar van belanghebbende tegemoet gekomen. Op 13 februari 2023 is de kostenvergoeding uitbetaald aan belanghebbende conform het gedane verzoek van de gemachtigde.
2.2.
Bij brief van 27 maart 2023, met als onderwerp “uitspraak op het bezwaarschrift” deelt de inspecteur aan belanghebbende mede dat hij bij brief van 24 februari 2023 volledig aan het bezwaar tegemoet is gekomen en ook aan het verzoek om kostenvergoeding tegemoet is gekomen. De inspecteur deelt in deze brief mee dat het bedrag reeds op 13 februari 2023 is uitbetaald op het rekeningnummer van belanghebbende.
2.3.
Bij brief van 27 februari 2023 is belanghebbende in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar van 24 februari 2023.
Beoordeling
3. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of er sprake is van een gebrek in de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de vergoeding van de kosten. Belanghebbende meent dat – nu er geen beslissing in de uitspraak staat vermeld – er sprake is van een afwijzing van het verzoek om kostenvergoeding.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat door de feitelijke gang van zaken er met de uitspraak op bezwaar een besluit is genomen omtrent de kostenvergoeding, maar dat dit besluit niet op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De rechtbank neemt in aanmerking dat in bezwaar een kostenvergoeding is verzocht, het bezwaar gegrond is verklaard en er feitelijk een uitbetaling van de kostenvergoeding heeft plaatsgevonden. Gelet op dit oordeel is ook sprake van een ontvankelijk beroep. Desalniettemin is het beroep kennelijk ongegrond. Immers kan het beroep van belanghebbende niet slagen, gelet op het oordeel van de rechtbank dat een beslissing rondom de kostenvergoeding is genomen waarbij volledig tegemoet is gekomen aan dat betreffende verzoek. De visie van belanghebbende dat sprake is van een afwijzend besluit, kan dan ook niet worden gevolgd. De rechtbank is verder van oordeel dat de handelswijze van de inspecteur geen aanleiding is voor een vergoeding van proceskosten in beroep. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 november 2014 geoordeeld dat indien er na afloop van de uitspraak op bezwaar afzonderlijk wordt beslist op het verzoek om vergoeding van de kosten, die beslissing op één lijn dient te worden gesteld met een (afzonderlijke) beslissing op bezwaar. De beslissing op het verzoek om kostenvergoeding completeert in dat geval de uitspraak op bezwaar. De rechtbank is gelet op het hiervoor genoemde arrest van oordeel dat de brief van 27 maart 2023 de uitspraak op bezwaar van 24 februari 2023 completeert. De inspecteur heeft – gelet op de feitelijke uitbetaling van de kostenvergoeding op 13 februari 2023 – conform de wettelijke regels op het verzoek om kostenvergoeding beslist. Het subsidiaire standpunt van belanghebbende dat te laat is beslist op het verzoek om kostenvergoeding, volgt de rechtbank dus niet.
Conclusie
4. Het beroep van belanghebbende is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 6 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
(de rechter is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Vgl. Hoge Raad 29 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0194.
Artikel 6:10 van de Awb.
ECLI:NL:HR:2014:3191
Zie ook uitspraak Hof Den Bosch, 14 september 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3700