Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-29
ECLI:NL:RBZWB:2023:6131
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,905 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2024
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. B.P.A. van Beers),
en
de korpschef van politie, verweerder
(gemachtigde: mr. N.D.A.M. van Dorst).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de korpschef om eiser toestemming te onthouden om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. Met het bestreden besluit van 14 februari 2023 heeft de korpschef het primair besluit van 10 januari 2023 in stand gelaten.
1.1.
De korpschef heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de korpschef.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser volgde de BBL-opleiding Beveiliging. Voor zijn opleiding moest eiser stagelopen bij een bedrijf in de beveiligingsbranche. Eiser werd aangenomen bij [beveiligingsbedrijf] te [plaats] (hierna: het beveiligingsbedrijf). Op 11 oktober 2022 heeft dit beveiligingsbedrijf een aanvraag gedaan voor toestemming om eiser beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. Eiser is bij het beveiligingsbedrijf direct begonnen met werken. Op de aanvraag was op dat moment nog niet beslist. Op 12 december 2022 heeft de korpschef zijn voornemen tot het onthouden van toestemming schriftelijk medegedeeld aan eiser en het beveiligingsbedrijf. Op 10 januari 2023 heeft de korpschef de toestemming om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten aan eiser onthouden. Eiser is gestopt met zijn stage bij het beveiligingsbedrijf, alsook met zijn opleiding.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt het besluit van de korpschef om eiser toestemming te onthouden om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.1.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. De korpschef heeft de onthouding van toestemming aan eiser om beveiligingswerkzaamheden te verrichten terecht in stand gelaten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3.2.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Wanneer onthoudt de korpschef toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten?
4. Op grond van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr) is het verplicht om toestemming te verkrijgen van de korpschef om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten. De korpschef onthoudt de toestemming indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en de betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Bij de beoordeling of eiser voldoende betrouwbaar is om beveiligingswerkzaamheden te mogen verrichten, heeft de korpschef beoordelingsruimte. Ter invulling van de Wpbr heeft de korpschef de beschikking over de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (hierna: Bpbr). Uit de Bpbr volgt dat aan medewerkers die in de beveiligingsbranche werkzaam (willen) zijn, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in andere betrekkingen. De maatstaf wordt gehanteerd dat de betrouwbaarheid en integriteit van medewerkers in de beveiligingsbranche boven iedere twijfel verheven dient te zijn.
4.1.
De korpschef onthoudt zijn toestemming indien sprake is van de a-grond (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken) en/of de b-grond (andere omtrent de aanvrager bekende feiten) uit de Bpbr. De terugkijktermijn in het kader van de a-grond bedraagt acht dan wel vier jaar, afhankelijk van de opgelegde straf. De korpschef kan afwijken van de termijn indien toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang. Bij deze beoordeling weegt de korpschef de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen. De Bpbr bepalen ook dat strafbeschikkingen die worden opgelegd door het Openbaar Ministerie, gelijkgesteld worden met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
Waarom heeft de korpschef eiser zijn toestemming onthouden?
5. De korpschef stelt dat eiser niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden. De korpschef onderbouwt zijn stelling met het feit dat eiser twee strafbeschikkingen opgelegd heeft gekregen in 2020. Op 20 april 2020 heeft eiser een strafbeschikking opgelegd gekregen voor het aanwezig hebben van (een geringe hoeveelheid) hennep en hasjiesj en op 26 augustus 2020 voor het overtreden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom met 67 km/h. De korpschef is van mening dat deze twee strafbeschikkingen maken dat de korpschef toestemming moet onthouden op basis van de a-grond, omdat in de Bpbr is opgenomen dat strafbeschikkingen gelijkgesteld worden aan onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraken. De korpschef is van mening dat het aanwezig hebben van softdrugs niet verenigbaar is met het verrichten van beveiligingswerkzaamheden, hoe klein de hoeveelheid die eiser aanwezig had ook was. Daarnaast wijst de korpschef op de ernst van de begane snelheidsovertreding. De korpschef concludeert dat eiser de rechtsorde ernstig heeft aangetast met zijn gedrag.
5.1.
De hele periode die de korpschef heeft betrokken bij zijn oordeel over de toestemming, valt binnen de terugkijktermijn van vier jaar. De korpschef wil niet afwijken van deze termijn, omdat de korpschef van mening is dat eiser heeft laten zien dat hij het niet zo nauw neemt met de rechtsregels. Die conclusie heeft de korpschef onder meer getrokken uit het feit dat eiser op 7 april 2022 en 16 mei 2022, ongeveer twee jaar na de opgelegde strafbeschikkingen, tweemaal kort achter elkaar een bekeuring heeft gekregen voor het vasthouden van een telefoon tijdens het autorijden. Voor de korpschef staat daarmee, in combinatie met de opgelegde strafbeschikkingen, vast dat de betrouwbaarheid van eiser niet boven iedere twijfel verheven is. De korpschef voert op zitting aan deze bekeuringen niet te hebben meegewogen ten aanzien van de a-grond, maar wel ten aanzien van de b-grond. De korpschef benadrukt dat hij de toestemming heeft onthouden op de a-grond en dat de bekeuringen voor het vasthouden van een telefoon tijdens het autorijden enkel ten overvloede zijn meegewogen omdat ze volgens de korpschef iets over de betrouwbaarheid van eiser zeggen. De korpschef weegt ook mee dat eiser de uitkomst van de aanvraag niet heeft afgewacht en direct aan het werk is gegaan bij zijn stagebedrijf.
Waarom vindt eiser dat de korpschef de toestemming onterecht heeft onthouden?
6. Eiser is van mening dat hij wel beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden. Eiser stelt dat de strafbeschikking voor het aanwezig hebben van hennep en hasjiesj onterecht is opgelegd, aangezien eiser beschikte over een zeer geringe hoeveelheid waarvoor normaal gesproken geen straf(beschikking) wordt opgelegd. Hoewel eiser erkent dat de strafbeschikking onherroepelijk is, vindt eiser dat deze omstandigheid een rol zou moeten spelen bij de beoordeling. Bovendien merkt eiser op dat de korpschef eiser heeft verweten dat hij betrokken zou zijn geweest bij de handel in drugs, terwijl de strafbeschikking enkel is opgelegd voor het aanwezig hebben van hennep en hasjiesj. Overigens stelt eiser dat hij in het verleden wel foute vrienden had, maar dat hij niet in criminele kringen verkeerde en dat de korpschef die stelling ook niet voldoende heeft onderbouwd.
6.1.
Ten aanzien van de strafbeschikking die aan eiser is opgelegd voor het overtreden van de maximumsnelheid, vindt eiser dat deze strafbeschikking niet zou moeten worden meegewogen. Eiser stelt dat er sprake is van een overtreding en dat de korpschef, gelet op paragraaf 3.3 van de Bpbr, de strafbeschikking om deze reden niet had moeten meewegen. Eiser is daarnaast van mening dat toepassing van de terugkijktermijn in zijn geval onevenredig is ten opzichte van het daarmee te dienen belang, omdat de feiten al wat langer geleden gepleegd zijn. De terugkijktermijn verloopt acht maanden na de zitting. Eiser is daarom van mening dat de korpschef had moeten afwijken van de standaard terugkijktermijn, waardoor de korpschef de feiten uit 2020 niet zou hebben meegewogen. Ook denkt eiser dat de feiten waarvoor hij een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen, zijn betrouwbaarheid om als beveiliger te kunnen werken niet aantasten. Eiser wijst op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarin de rechtbank volgens eiser impliceert dat er naast feiten die een ‘tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde’ opleveren ook feiten zijn die een minder ernstige aantasting van de rechtsorde opleveren. Eiser is van mening dat de stapeling van de verweten gedragingen in de belangenafweging van de korpschef te zwaar uitvalt en dat de korpschef onvoldoende gemotiveerd heeft dat de combinatie van gedragingen een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde oplevert.
6.2.
Tot slot voert eiser aan dat hij niet meer omgaat met de foute vrienden die hij in het verleden had, dat hij getrouwd is en dat hij zijn leven op orde heeft. Eiser werkt nu op het front office van een bedrijf dat fruit levert aan bedrijven.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de korpschef het besluit om toestemming te onthouden aan eiser om beveiligingswerkzaamheden te verrichten terecht in stand heeft gelaten. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.M.J.C. Paijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A.A. van Hooijdonk, griffier, op 29 augustus 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr)
Artikel 7, tweede lid, van de Wpbr:
Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Indien de beveiligingsorganisatie of het recherchebureau dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, wordt de toestemming, bedoeld in de eerste volzin, verleend door de commandant van de Koninklijke marechaussee.
Artikel 7, vierde lid, van de Wpbr:
De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. Indien de desbetreffende persoon een ambtenaar is als bedoeld in artikel 5, derde lid, wordt de toestemming slechts onthouden indien deze persoon niet beschikt over de benodigde bekwaamheid. Voor de tewerkstelling van de overige opsporingsambtenaren wordt de toestemming slechts verleend na het overleggen van de ontheffing, bedoeld in artikel 5, vierde lid, en indien de desbetreffende persoon beschikt over de benodigde bekwaamheid.
Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (Bpbr)
3.3.
Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden uit de Bpbr:
De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid blijkt van:
veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken;
andere omtrent de aanvrager bekende feiten.
Ad a. (veroordelingen en andere rechterlijke uitspraken)
De persoon waarvoor toestemming wordt gevraagd mag op het moment van de aanvraag niet:
binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd of,
binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing zijn veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een geldboete of een taakstraf is opgelegd
(…)
Transacties en strafbeschikkingen
Een transactie met het Openbaar Ministerie en een strafbeschikking, opgelegd door het Openbaar Ministerie of door een opsporingsambtenaar, worden gelijk gesteld met een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak.
(…)
Afwijking termijnen
De korpschef, de Commandant van de Koninklijke Marechaussee, of de Minister van Justitie en Veiligheid, in het geval van een leidinggevende of een organisatie of recherchebureau zonder vestiging in Nederland, kan van de hiervoor onder 1 en 2 bepaalde termijnen afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.
(…).
Zie artikel 7, tweede lid, van de Wpbr.
Zie artikel 7, vierde lid, van de Wpbr.
Zie paragraaf 3.3 van de Bpbr.
Zie paragraaf 3.3 van de Bpbr.
Zie ECLI:NL:RBROT:2020:10680.