Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-09-01
ECLI:NL:RBZWB:2023:6114
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,205 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/8994
uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2023 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. N.M. Fakiri),
en
CZ Zorgkantoor B.V. (zorgkantoor), verweerder.
Procesverloop
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het zorgkantoor van 31 mei 2023. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.
Overwegingen
1. Op grond van de stukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoeker ontving een persoonsgebonden budget op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) via het zorgkantoor.
Met het besluit van 31 mei 2023 heeft het zorgkantoor verzoeker gemeld dat het zorgkantoor een fraudeonderzoek is gestart en dat vanwege een ernstig vermoeden van fraude besloten is om hangende het onderzoek de betaling van het pgb op te schorten.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorziening-procedure als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. Voorts speelt bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening de spoedeisendheid een belangrijke rol. De vraag die beantwoord dient te worden is of er sprake is van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorlopige voorziening in afwachting van een beslissing op het bezwaar van verzoeker.
4. Bij brief van 10 augustus 2023 is aan verzoeker gevraagd om binnen 7 dagen het spoedeisend belang toe te lichten. Daarbij is expliciet gevraagd om gemotiveerd aan te geven, onderbouwd met verklaringen van familieleden die in hetzelfde huis als verzoeker wonen, of de benodigde zorg nog wordt verleend. Er is verzocht om daarbij te onderbouwen hoe verzoeker de afgelopen maanden heeft kunnen functioneren als er geen zorg zou zijn verleend. Voor zover er geen zorg meer wordt verleend, is gevraagd om aan te geven of verzoeker in staat is om de kosten van hulp tijdelijk zelf te betalen. Mocht verzoeker stellen dat hij deze kosten niet zelf kan dragen, is verzocht om een onderbouwing van die stelling met afschriften van zijn bankrekeningen en een overzicht van verzoekers vaste lasten en inkomen.
Bij brief van 16 augustus 2023 heeft verzoeker stukken ingebracht.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de brief van 16 augustus 2023 geen volledig antwoord is gegeven op de vraagstelling van 10 augustus 2023. Weliswaar heeft verzoeker een verklaring van zijn moeder overgelegd, waarin zij aangegeven heeft dat zij de afgelopen weken voor verzoeker heeft gezorgd, maar een onderbouwing waarom zij hiertoe niet langer in staat zou zijn, ontbreekt. De brief van het UWV waaruit blijkt dat verzoeksters moeder een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) ontvangt, acht de voorzieningenrechter in dit verband onvoldoende. Ook heeft verzoeker wel aangegeven wat zijn vaste lasten zijn en een aantal bankafschriften overgelegd, maar vervolgens heeft hij nagelaten om toe te lichten waarom hij niet in staat zou zijn om de kosten van hulp hangende de bezwaarprocedure zelf te dragen. Hierdoor is voor de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M. Schotanus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2023.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.