Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-25
ECLI:NL:RBZWB:2023:6057
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,294 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2471
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
De minister van Buitenlandse Zaken.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 14 februari 2023 tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek dat strekt tot het uitvoeren van de sociale voorzieningen voor het militair personeel van het Koninklijk Nederlands-Indonesisch leger (KNIL) dat geldig is op 26 december 1949 en 24 juli 1950.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Anders dan eiser betoogt is de militaire ambtenarenrechter van de rechtbank Gelderland niet bevoegd van het beroep kennis te nemen. Dat is met de uitspraak van 31 juli 2014 van de Centrale Raad van Beroep definitief vast komen staan.
2.1.
Sinds 1 oktober 2009 is het niet meer mogelijk om tegen het niet tijdig nemen van een besluit bezwaar te maken. De rechtbank zal het bezwaar dan ook aanmerken als een ingebrekestelling zoals bedoeld in artikel 6:12 van de Awb.
2.2.
Eiser wil dat de minister een besluit neemt op zijn verzoek. Om dat in rechte te kunnen afdwingen bij de bestuursrechter moet dat verzoek dan zijn aan te merken als een aanvraag, dat is een verzoek om een besluit te nemen. Alleen dan is de bestuursrechter bevoegd. Om een besluit te nemen is een publiekrechtelijke grondslag nodig. Als die er niet is, kan de minister geen besluit nemen en zijn de verzoeken van eisers geen aanvraag.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat in eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is overwogen dat aan alle militairen in dienst van het KNIL met ingang van 25 juli 1950 collectief ontslag is verleend en dat de tijdelijke status van militair bij de Koninklijke Landmacht, die aan de toen nog niet afgevloeide ex-KNIL-militairen is verleend – gelet ook op het arrest van de Hoge Raad van 25 november 1960 (NJ 1961, 3) – direct na aankomst in Nederland rechtsgeldig is opgeheven. Verder is in de uitspraken overwogen dat vaststaat dat de Nederlandse regering in de nota betreffende de problematiek van de Molukse Minderheid in Nederland van februari 1978 haar standpunt inzake de KNIL-rechten heeft bepaald en heeft besloten de bijzondere zorgplicht voor Molukkers te beëindigen. Nadien is deze zorgplicht afgebouwd en zijn alle daarmee verband houdende regelingen ingetrokken.
2.4.
Gelet hierop ontbreekt een publiekrechtelijke grondslag voor de gevraagde voorzieningen en komt aan de minister geen bevoegdheid toe tot het nemen van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb op het door eiser ingediende verzoek. Dit verzoek kan daarom niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Nu geen sprake is van een aanvraag in de zin van de Awb, kan er ook geen sprake zijn van het niet tijdig nemen van een besluit.
2.5.
De rechtbank is kennelijk onbevoegd nu er geen sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit.
2.6.
Omdat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het ingestelde beroep, zal het door eiseres betaalde griffierecht worden teruggestort. Voor een proceskosten-veroordeling bestaat geen aanleiding.
2.7.
De rechtbank merkt, in overeenstemming met artikel 8:71 van de Awb, op dat het geschil voorgelegd kan worden aan de civiele rechter.
Dictum
De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier op 25 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
ECLI:NL:CRVB:2014:2593.
Zie onder meer de uitspraken van 6 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3737; 14 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA0629 en 18 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:359.
Kamerstukken II 1977/78, 14 915, nrs. 1 en 2.