Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-25
ECLI:NL:RBZWB:2023:5999
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,032 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5682 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2023 op het verzet van
[opposante] , te [plaats] , opposante.
Procesverloop
1. Opposante heeft beroep ingesteld omdat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college) volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag voor hulp vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
1.1.
Bij uitspraak van 16 juni 2023 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen.
1.2.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van een aanvraag, zodat er geen wettelijke termijnen zijn gaan lopen. Er is daarom ook geen sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op een verzoek waartegen beroep kan worden ingesteld.
3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is.
4. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat in een eerdere kwestie het geen punt van geschil is geweest dat tussen de melding en de aanvraag een periode van elf maanden was gelegen. Dat is nagenoeg gelijk met de periode van twaalf maanden die hier speelt. Verder voert opposante aan dat, ondanks dat in haar e-mailbericht niet was verwezen naar de melding, het voor het college duidelijk was dat het een vervolg op de melding was en het dus een aanvraag betrof. Dit was van opposante nog de enige melding waarvoor geen aanvraag was ingediend.
5. De verzetrechter overweegt dat uit de systematiek van de Wmo volgt dat een betrokkene in eerste instantie bij het college melding doet van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, waarna het college binnen zes weken een onderzoek uitvoert en aan de betrokkene een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (een Wmo-advies) verstrekt. Als het onderzoek is afgerond, en het college daarin geen aanleiding heeft gezien om (ambtshalve) een maatwerkvoorziening te verstrekken, kan de betrokkene een aanvraag om een maatwerkvoorziening bij het college indienen. Dit recht komt de betrokkene ook toe als het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.
6.1.
De verzetrechter overweegt dat de rechtbank in haar uitspraak van 16 juni 2023 heeft vastgesteld dat er tussen de melding en de aanvraag een periode van één jaar was gelegen. Deze periode is door opposante in verzet bevestigd. Anders dan opposante kennelijk meent, heeft de rechtbank in haar uitspraak niet overwogen dat er door deze lange periode geen sprake is van een aanvraag.
6.2.
De verzetrechter stelt vast dat de rechtbank vervolgens heeft overwogen dat opposante in haar e-mailbericht van 2 november 2022 niet heeft verwezen naar haar melding van 3 november 2021, waardoor het voor het college niet duidelijk was dat dit e-mailbericht een vervolg was op een eerdere melding en daarom als aanvraag diende te worden aangemerkt. Opposante heeft in haar verzetschrift niet betwist dat de verwijzing naar de melding ontbreekt in haar e-mailbericht. Opposante stelt echter dat ondanks het ontbreken van deze verwijzing, het voor het college wel duidelijk was dat het een vervolg was op haar melding van 3 november 2021 en haar e-mailbericht van 2 november 2022 dus een aanvraag betrof.
6.3.
De verzetrechter is van oordeel dat de inhoud van het e-mailbericht van 2 november 2022 niet herleidbaar is naar haar melding van 3 november 2021. De stelling van opposante dat er nog maar één melding was waarvoor nog geen aanvraag was ingediend, leidt de verzetrechter niet tot een ander oordeel. Het ligt op de weg van opposante om in haar correspondentie duidelijk aan te geven op welke melding haar bericht zag. Dit kan op eenvoudige wijze door te verwijzen naar de melding of door een kopie van de melding bij te voegen. De enkele mededeling dat het een aanvraag betrof acht de verzetrechter onvoldoende. De verzetrechter neemt daarbij in aanmerking dat opposante naar aanleiding van de aangetekende brief van 14 december 2022 van het college ook geen actie heeft ondernomen door op dat moment aan te geven dat er sprake was van een aanvraag en te verwijzen naar haar eerdere melding. Dat er misschien maar één melding was waarvoor nog geen aanvraag was ingediend, doet er niet aan af, omdat dit voor de geadresseerde van de brief (het college) niet op voorhand duidelijk is.
7. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 16 juni 2023. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 25 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5682 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2023 op het verzet van
[opposante] , te [plaats] , opposante.
Procesverloop
1. Opposante heeft beroep ingesteld omdat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (het college) volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag voor hulp vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).
1.1.
Bij uitspraak van 16 juni 2023 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen.
1.2.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3.
Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord.
Overwegingen
2. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake is van een aanvraag, zodat er geen wettelijke termijnen zijn gaan lopen. Er is daarom ook geen sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig beslissen op een verzoek waartegen beroep kan worden ingesteld.
3. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is.
4. Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat in een eerdere kwestie het geen punt van geschil is geweest dat tussen de melding en de aanvraag een periode van elf maanden was gelegen. Dat is nagenoeg gelijk met de periode van twaalf maanden die hier speelt. Verder voert opposante aan dat, ondanks dat in haar e-mailbericht niet was verwezen naar de melding, het voor het college duidelijk was dat het een vervolg op de melding was en het dus een aanvraag betrof. Dit was van opposante nog de enige melding waarvoor geen aanvraag was ingediend.
5. De verzetrechter overweegt dat uit de systematiek van de Wmo volgt dat een betrokkene in eerste instantie bij het college melding doet van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, waarna het college binnen zes weken een onderzoek uitvoert en aan de betrokkene een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (een Wmo-advies) verstrekt. Als het onderzoek is afgerond, en het college daarin geen aanleiding heeft gezien om (ambtshalve) een maatwerkvoorziening te verstrekken, kan de betrokkene een aanvraag om een maatwerkvoorziening bij het college indienen. Dit recht komt de betrokkene ook toe als het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken.
6.1.
De verzetrechter overweegt dat de rechtbank in haar uitspraak van 16 juni 2023 heeft vastgesteld dat er tussen de melding en de aanvraag een periode van één jaar was gelegen. Deze periode is door opposante in verzet bevestigd. Anders dan opposante kennelijk meent, heeft de rechtbank in haar uitspraak niet overwogen dat er door deze lange periode geen sprake is van een aanvraag.
6.2.
De verzetrechter stelt vast dat de rechtbank vervolgens heeft overwogen dat opposante in haar e-mailbericht van 2 november 2022 niet heeft verwezen naar haar melding van 3 november 2021, waardoor het voor het college niet duidelijk was dat dit e-mailbericht een vervolg was op een eerdere melding en daarom als aanvraag diende te worden aangemerkt. Opposante heeft in haar verzetschrift niet betwist dat de verwijzing naar de melding ontbreekt in haar e-mailbericht. Opposante stelt echter dat ondanks het ontbreken van deze verwijzing, het voor het college wel duidelijk was dat het een vervolg was op haar melding van 3 november 2021 en haar e-mailbericht van 2 november 2022 dus een aanvraag betrof.
6.3.
De verzetrechter is van oordeel dat de inhoud van het e-mailbericht van 2 november 2022 niet herleidbaar is naar haar melding van 3 november 2021. De stelling van opposante dat er nog maar één melding was waarvoor nog geen aanvraag was ingediend, leidt de verzetrechter niet tot een ander oordeel. Het ligt op de weg van opposante om in haar correspondentie duidelijk aan te geven op welke melding haar bericht zag. Dit kan op eenvoudige wijze door te verwijzen naar de melding of door een kopie van de melding bij te voegen. De enkele mededeling dat het een aanvraag betrof acht de verzetrechter onvoldoende. De verzetrechter neemt daarbij in aanmerking dat opposante naar aanleiding van de aangetekende brief van 14 december 2022 van het college ook geen actie heeft ondernomen door op dat moment aan te geven dat er sprake was van een aanvraag en te verwijzen naar haar eerdere melding. Dat er misschien maar één melding was waarvoor nog geen aanvraag was ingediend, doet er niet aan af, omdat dit voor de geadresseerde van de brief (het college) niet op voorhand duidelijk is.
7. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 16 juni 2023. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van D. Alblas, griffier, op 25 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.