Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-22
ECLI:NL:RBZWB:2023:5909
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,196 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 22/4668 en BRE 22/4669
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2023 in de zaken tussen
[eisers], uit [plaats], eisers
en
De Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers over de weigering van de Svb om terug te komen op de besluiten van 23 september 2014, waarin hun verzoek om regularisatie is afgewezen.
1.1.
De Svb heeft eisers verzoeken om terug te komen op de besluiten van 23 september 2014 met de besluiten van 16 mei 2022 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 22 augustus 2022 op de bezwaren van eisers is de Svb bij de afwijzing van eisers verzoeken gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, tevens als gemachtigde van eisers en mr. A. Marijnissen namens de Svb.
Feiten
Eisers werken aan boord van een binnenvaartschip waarvan de exploitant tot en met het jaar 2010 gevestigd was in Nederland. Aanvankelijk heeft de Belastingdienst eisers tot en met 31 december 2010 vrijstelling verleend voor de premies volksverzekeringen omdat zij in Luxemburg premies betaalden. Dit heet regularisatie. Op eisers was toen de sociale verzekeringswetgeving van Luxemburg van toepassing verklaard.
Eisers hebben in het verlengde daarvan ook voor het jaar 2011 verzocht om een regularisatieovereenkomst af te sluiten met de bevoegde instantie in Luxemburg.
Bij afzonderlijke besluiten van 23 september 2014 heeft de Svb deze verzoeken afgewezen.
Eisers hebben tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.
Bij afzonderlijke besluiten op bezwaar van 30 juli 2015 heeft de Svb de bezwaren ongegrond verklaard.
Met de brief van 21 december 2021 is namens eisers nogmaals verzocht om voor het jaar 2011 regularisatie toe te passen. Dit is door de Svb opgevat als een verzoek om herziening van de beslissingen van 23 september 2014.
Vervolgens heeft de Svb de primaire besluiten genomen en deze in bezwaar gehandhaafd.
2.1.
De voor de beoordeling van de beroepen belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
3. Beroepsgronden.
Eisers voeren in beroep aan dat de op 23 september 2014 genomen beslissingen onjuist waren en dat in de bezwaarprocedure niet op hun argumenten is ingegaan. Eisers wijzen erop dat zij altijd in Luxemburg premies hebben betaald totdat het in 2011 ineens anders moest. In 2011 hebben zij daardoor zowel in Nederland als in Luxemburg premies betaald. Zij vinden dat de werkgever verantwoordelijk is voor de juiste afdracht. Eisers wijzen ook op de Toeslagaffaire en hadden gehoopt dat de Svb/Belastingdienst daar iets van had geleerd door burgers rechtvaardig bij te staan.
Overwegingen
Eisers hebben destijds bezwaar gemaakt tegen de beslissingen van 23 september 2014. De bezwaren zijn ongegrond verklaard in de beslissingen op bezwaar van 30 juli 2015. Eisers hebben verder geen rechtsmaatregelen ingesteld, waardoor de beslissingen van 23 september 2014 in rechte vaststaan.
De Svb is er daarom terecht vanuit gegaan dat hier sprake is van een herhaald verzoek.
In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
In het tweede lid is bepaald dat het bestuursorgaan, indien geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Volgens vaste rechtspraak toetst de bestuursrechter in het geval een bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat de afwijzing van het herzieningsverzoek evident onredelijk is (zie de uitspraken van de Raad van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en 23 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1449).
Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden wordt verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
De rechtbank overweegt dat eisers niets hebben aangevoerd dat niet al bekend was bij de Svb. Er zijn dus geen nieuwe feiten of omstandigheden. Voor zover eisers stellen dat de Svb niet op hun argumenten is ingegaan, hadden zij in beroep kunnen gaan. Dat dubbel premie is betaald is ook geen nieuw feit.
Er is geen aanleiding om te oordelen dat de afwijzing van de herhaalde aanvraag, die bij de bestreden besluiten is gehandhaafd, evident onredelijk is dan wel dat de besluiten van 23 september 2014 onmiskenbaar onjuist waren in de zin van het beleid van de Svb. De rechtbank wijst op de uitspraak van 16 juli 2021 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2021:1770. Daarin oordeelde de CRvB dat het beleid van de Svb om alleen een regularisatieprocedure te starten over reeds verstreken verzekeringstijdvakken indien blijkt van voldoende in aanmerking te nemen bijzondere omstandigheden, niet onredelijk is. Daarbij komt bijzondere betekenis toe aan de vraag vanaf welk moment de betrokkene op grond van besluiten of andere correspondentie van de Belastingdienst of Svb, er meer dan voorheen rekening mee heeft moeten houden dat hij verzekerd zou worden geacht voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Voor eisers geldt dat zij al jaren op de hoogte waren van het feit dat de premies ten onrechte in Luxemburg werden betaald.
Gelet hierop kan niet gezegd worden dat de besluiten van 23 september 2014 onjuist waren.
5. De beroepsgronden slagen niet.
Conclusie
6. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.B. Both-Attema, griffier op 22 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
In het tweede lid is bepaald dat het bestuursorgaan, indien geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag kan afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.