Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-17
ECLI:NL:RBZWB:2023:5805
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,222 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/2737
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T.C. van Zwieten),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 mei 2022.
1.1.
Belanghebbende heeft op 5 februari 2022 een bedrag van € 16.000 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening op aangifte ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [belanghebbende] en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2]
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op toepassing van het verlaagde tarief overdrachtsbelasting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van dit verlaagde tarief. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op 17 december 2021 80% van de economische eigendom van een woning verkregen. De overige 20% economische eigendom en de juridische eigendom van de woning berusten bij een woningcorporatie. Belanghebbende huurt de overige 20% economische eigendom van de woningcorporatie.
5. In verband met de verkrijging van de economische eigendom is overdrachtsbelasting voldaan op aangifte naar het tarief van 8%.
6. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte. De inspecteur heeft dit bezwaar afgewezen.
7. In geschil is of belanghebbende aanspraak kan maken op het verlaagde tarief voor woningen.
8. Belanghebbende bepleit dat zij gelet doel en strekking van de wettelijke bepalingen aanspraak kan maken op het verlaagde tarief. De rechtbank verwerpt dit betoog. Uit de wet volgt dat de verkrijging van economische eigendom belast is met 8% overdrachtsbelasting. Anders dan belanghebbende, leidt de rechtbank niet uit de parlementaire stukken af dat het niet de bedoeling is geweest om bepaalde gevallen van verkrijging van economische eigendom uit te zonderen van deze bepaling. Immers staat in de betreffende stukken: ‘Economische eigendom komt met name voor bij zakelijke transacties, waarvoor het 8%-tarief zal worden toegepast’.Uit de passage ‘met name’ leidt de rechtbank af dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat overdrachten van economische eigendom zich niet beperken zakelijke transacties. Ook is expliciet het volgende opgenomen: ‘De vrijstelling en het verlaagde tarief is alleen van toepassing op de verkrijging van de economische eigendom als ook de juridische eigendom wordt verkregen van een woning.’.Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de wetgever duidelijk heeft bedoeld de verkrijging van alleen economische eigendom uit te zonderen van toepassing van het verlaagde tarief.
9. Belanghebbende heeft ook een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Daarbij vergelijkt belanghebbende haar situatie met die waarin een lidmaatschapsrecht van een vereniging of coöperatie wordt verkregen waarin het recht op (nagenoeg) uitsluitend gebruik van een woning is inbegrepen. Voor die situatie geldt namelijk wel het verlaagde tarief. De rechtbank verwerpt dit beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat deze situatie niet gelijk is aan die van belanghebbende. Een dergelijk lidmaatschapsrecht is in juridische zin niet vergelijkbaar met de verkrijging van een deel van het economisch eigendom van een onroerende zaak.
10. Ook een vergelijking met een ander die een woning verkrijgt gaat mank. Immers is voor toepassing van de overdrachtsbelasting doorslaggevend op welke wijze deze verkrijging in juridische zin is vormgegeven. Belanghebbende kan dus geen succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel doen.
11. De verdere verwijzingen van belanghebbende naar uitvoeringsbeleid van de Staatssecretaris kunnen haar ook niet baten. De goedkeuringen die daarin staan, heeft de Staatssecretaris verleend in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de belastingwet. Indien de situatie van belanghebbende gelijk is aan die situatie, kan belanghebbende met succes een beroep doen op die goedkeuringen. In dit geval is echter geen sprake van een goedgekeurde situatie. Ook kan daaraan niet ontleend worden dat de wetgever deze situatie als onredelijk beschouwt.
11. De rechtbank passeert ook belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij aan de informatie op de website van de belastingdienst het in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen dat zij aanspraak kon maken op het verlaagde tarief. De inspecteur heeft er daarbij terecht op gewezen dat op de website vermeld staat dat de verkrijging van economische eigendom onder het tarief van 8% valt. Dat belanghebbende de gegeven omschrijvingen niet duidelijk (genoeg) acht, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onvoldoende om te concluderen dat daarmee een in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt ten aanzien van haar situatie. Belanghebbende baseert zich met name op de omstandigheid dat bij de betreffende voorlichting niet helder is aangeduid dat bij de verkrijging van economische eigendom niet de juridische eigendom wordt verkregen. Dat laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat de website weergeeft dat verkrijging van economische eigendom niet in aanmerking komt voor het verlaagde tarief.
11. Het beroep is dan ook ongegrond. De inspecteur krijgt dus gelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 17 augustus 2023. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Artikel 14, vijfde lid, Wet op van rechtsverkeer
Kamerstukken II, 35 576, nr. 3, p. 14
Kamerstukken II, 35 576, nr. 3, p. 14
Kamerstukken II, 35 576, nr. 3, p. 14
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/2737
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. T.C. van Zwieten),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 mei 2022.
1.1.
Belanghebbende heeft op 5 februari 2022 een bedrag van € 16.000 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening op aangifte ongegrond verklaard.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [belanghebbende] en namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2]
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op toepassing van het verlaagde tarief overdrachtsbelasting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van dit verlaagde tarief. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende heeft op 17 december 2021 80% van de economische eigendom van een woning verkregen. De overige 20% economische eigendom en de juridische eigendom van de woning berusten bij een woningcorporatie. Belanghebbende huurt de overige 20% economische eigendom van de woningcorporatie.
5. In verband met de verkrijging van de economische eigendom is overdrachtsbelasting voldaan op aangifte naar het tarief van 8%.
6. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte. De inspecteur heeft dit bezwaar afgewezen.
7. In geschil is of belanghebbende aanspraak kan maken op het verlaagde tarief voor woningen.
8. Belanghebbende bepleit dat zij gelet doel en strekking van de wettelijke bepalingen aanspraak kan maken op het verlaagde tarief. De rechtbank verwerpt dit betoog. Uit de wet volgt dat de verkrijging van economische eigendom belast is met 8% overdrachtsbelasting. Anders dan belanghebbende, leidt de rechtbank niet uit de parlementaire stukken af dat het niet de bedoeling is geweest om bepaalde gevallen van verkrijging van economische eigendom uit te zonderen van deze bepaling. Immers staat in de betreffende stukken: ‘Economische eigendom komt met name voor bij zakelijke transacties, waarvoor het 8%-tarief zal worden toegepast’.Uit de passage ‘met name’ leidt de rechtbank af dat de wetgever onder ogen heeft gezien dat overdrachten van economische eigendom zich niet beperken zakelijke transacties. Ook is expliciet het volgende opgenomen: ‘De vrijstelling en het verlaagde tarief is alleen van toepassing op de verkrijging van de economische eigendom als ook de juridische eigendom wordt verkregen van een woning.’.Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de wetgever duidelijk heeft bedoeld de verkrijging van alleen economische eigendom uit te zonderen van toepassing van het verlaagde tarief.
9. Belanghebbende heeft ook een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Daarbij vergelijkt belanghebbende haar situatie met die waarin een lidmaatschapsrecht van een vereniging of coöperatie wordt verkregen waarin het recht op (nagenoeg) uitsluitend gebruik van een woning is inbegrepen. Voor die situatie geldt namelijk wel het verlaagde tarief. De rechtbank verwerpt dit beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat deze situatie niet gelijk is aan die van belanghebbende. Een dergelijk lidmaatschapsrecht is in juridische zin niet vergelijkbaar met de verkrijging van een deel van het economisch eigendom van een onroerende zaak.
10. Ook een vergelijking met een ander die een woning verkrijgt gaat mank. Immers is voor toepassing van de overdrachtsbelasting doorslaggevend op welke wijze deze verkrijging in juridische zin is vormgegeven. Belanghebbende kan dus geen succesvol beroep op het gelijkheidsbeginsel doen.
11. De verdere verwijzingen van belanghebbende naar uitvoeringsbeleid van de Staatssecretaris kunnen haar ook niet baten. De goedkeuringen die daarin staan, heeft de Staatssecretaris verleend in zijn hoedanigheid van uitvoerder van de belastingwet. Indien de situatie van belanghebbende gelijk is aan die situatie, kan belanghebbende met succes een beroep doen op die goedkeuringen. In dit geval is echter geen sprake van een goedgekeurde situatie. Ook kan daaraan niet ontleend worden dat de wetgever deze situatie als onredelijk beschouwt.
11. De rechtbank passeert ook belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat zij aan de informatie op de website van de belastingdienst het in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen dat zij aanspraak kon maken op het verlaagde tarief. De inspecteur heeft er daarbij terecht op gewezen dat op de website vermeld staat dat de verkrijging van economische eigendom onder het tarief van 8% valt. Dat belanghebbende de gegeven omschrijvingen niet duidelijk (genoeg) acht, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval onvoldoende om te concluderen dat daarmee een in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt ten aanzien van haar situatie. Belanghebbende baseert zich met name op de omstandigheid dat bij de betreffende voorlichting niet helder is aangeduid dat bij de verkrijging van economische eigendom niet de juridische eigendom wordt verkregen. Dat laat naar het oordeel van de rechtbank onverlet dat de website weergeeft dat verkrijging van economische eigendom niet in aanmerking komt voor het verlaagde tarief.
11. Het beroep is dan ook ongegrond. De inspecteur krijgt dus gelijk. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Wiskerke-Hovanesian, griffier, op 17 augustus 2023. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer).
Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze.
Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.
Artikel 14, vijfde lid, Wet op van rechtsverkeer
Kamerstukken II, 35 576, nr. 3, p. 14
Kamerstukken II, 35 576, nr. 3, p. 14
Kamerstukken II, 35 576, nr. 3, p. 14