Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-18
ECLI:NL:RBZWB:2023:5792
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,222 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Inloopteam bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/4816
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [woonplaats eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Winia),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB), verweerder
(gemachtigde: mr. A. Marijnissen).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van de SVB op eisers verzoek tot herziening van zijn ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Met het besluit van 17 maart 2021 heeft de SVB eisers AOW-pensioen vanaf maart 2021 herzien. Eiser krijgt meer AOW-pensioen omdat hij in een bepaalde periode toch AOW-pensioen heeft opgebouwd. De toegepaste korting op het AOW-pensioen van eiser is vanwege niet verzekerde jaren gewijzigd naar 20%. Met het bestreden besluit van 29 september 2021 is de SVB bij dit besluit gebleven.
Met (stilzwijgende) toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Wat ging aan deze procedure vooraf
1. Eiser ontving sinds 18 november 2017 een AOW-pensioen met een korting van 24%. Volgens de SVB was eiser 12 jaar niet verzekerd omdat hij niet in Nederland woonde of werkte in de periode van 18 november 1967 tot en met 29 februari 1980.
2. Eiser heeft een verzoek tot herziening ingediend omdat het gekorte tijdvak volgens hem moet worden beperkt tot 28 november 1974. Hierop heeft de SVB de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd.
Wat vindt de SVB
3. De SVB stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het AOW-pensioen van eiser gekort moet worden met 20%, omdat hij in de periode van 18 november 1967 tot en met 3 maart 1978 niet verzekerd is geweest voor de AOW.
Wat vindt eiser
4. Eiser stelt dat hij in de periode van 1974 tot en met 1978 wel verzekerd was voor de AOW. In deze periode woonde eiser namelijk in Nederland. Hij heeft hiervoor bewijs van de vreemdelingenpolitie verstrekt. Volgens eiser wordt hieraan door de SVB onvoldoende waarde gehecht. Eiser heeft alles geprobeerd om bewijs te verzamelen. Hij heeft contact gezocht met de Belastingdienst, ziektekostenverzekering, zijn werkgevers en het ziekenhuis. Helaas is er niets meer uit deze tijd bewaard gebleven. Eiser heeft contact gezocht met mensen van vroeger en heeft twee getuigenverklaringen toegezonden.
Wat vindt de rechtbank
5. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of de SVB terecht een korting van 20% op het AOW-pensioen van eiser heeft toegepast omdat hij in de periode van 18 november 1967 tot en met 3 maart 1978 niet verzekerd is geweest voor de AOW. De rechtbank beoordeeld dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat bij besluiten op aanvraag de bewijslast voor de feiten die tot het nemen van de gevraagde besluiten leiden, in hoofdzaak bij de aanvrager ligt. Voor deze bewijslastverdeling is te meer grond indien de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedsfeer van de aanvrager.
7. De rechtbank merkt op dat de SVB, voor zover dat van hem gevergd wordt, voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht om vast te stellen of eiser in de periode van 1974 tot en met 1978 verzekerd is geweest voor de AOW. De SVB heeft naar aanleiding van de aanvraag van eiser en het bezwaar navraag gedaan bij de gemeentes [gemeente 1] , [gemeente 2] en [gemeente 3] , en ook bij [werkgever] (als opvolger van een oud werkgever van eiser). De SVB heeft geen bewijs gevonden waaruit blijkt dat eiser in de periode van 1974 tot en met 3 maart 1978 verzekerd was voor de AOW.
8. Dit betekent dat eiser aannemelijk moet maken dat hij in de door hem genoemde periode verzekerd is geweest voor de AOW. Eiser moet dit concreet en met stukken onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. De stempel van de vreemdelingendienst in het paspoort van eiser is, ook in combinatie met de door eiser overgelegde verklaringen, niet voldoende om aan te nemen dat eiser vanaf 1974 tot en met 3 maart 1978 in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Dat eiser zich op 28 oktober 1974 bij de Vreemdelingendienst in [plaats] heeft gemeld, houdt namelijk niet in dat eiser vanaf 1974 tot en met 3 maart 1978 in Nederland woonde of werkte. En de door eiser overgelegde getuigenverklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende objectief en onafhankelijk.
Conclusie
9. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 1974 tot en met 1978 verzekerd was voor de AOW. De SVB heeft terecht op het AOW-pensioen van eiser een korting van 20% toegepast.
10. Het beroep van eiser is ongegrond. Dit betekent dat dat hij geen gelijk krijgt. Omdat eiser in beroep geen gelijk krijgt, worden de door hem gemaakte proceskosten of het betaalde griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 18 augustus 2023 door mr. M.A. Broekhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Raad van 15 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1207.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Inloopteam bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/4816
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [woonplaats eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. I. Winia),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB), verweerder
(gemachtigde: mr. A. Marijnissen).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing van de SVB op eisers verzoek tot herziening van zijn ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW).
Met het besluit van 17 maart 2021 heeft de SVB eisers AOW-pensioen vanaf maart 2021 herzien. Eiser krijgt meer AOW-pensioen omdat hij in een bepaalde periode toch AOW-pensioen heeft opgebouwd. De toegepaste korting op het AOW-pensioen van eiser is vanwege niet verzekerde jaren gewijzigd naar 20%. Met het bestreden besluit van 29 september 2021 is de SVB bij dit besluit gebleven.
Met (stilzwijgende) toestemming van partijen is een zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Wat ging aan deze procedure vooraf
1. Eiser ontving sinds 18 november 2017 een AOW-pensioen met een korting van 24%. Volgens de SVB was eiser 12 jaar niet verzekerd omdat hij niet in Nederland woonde of werkte in de periode van 18 november 1967 tot en met 29 februari 1980.
2. Eiser heeft een verzoek tot herziening ingediend omdat het gekorte tijdvak volgens hem moet worden beperkt tot 28 november 1974. Hierop heeft de SVB de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd.
Wat vindt de SVB
3. De SVB stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het AOW-pensioen van eiser gekort moet worden met 20%, omdat hij in de periode van 18 november 1967 tot en met 3 maart 1978 niet verzekerd is geweest voor de AOW.
Wat vindt eiser
4. Eiser stelt dat hij in de periode van 1974 tot en met 1978 wel verzekerd was voor de AOW. In deze periode woonde eiser namelijk in Nederland. Hij heeft hiervoor bewijs van de vreemdelingenpolitie verstrekt. Volgens eiser wordt hieraan door de SVB onvoldoende waarde gehecht. Eiser heeft alles geprobeerd om bewijs te verzamelen. Hij heeft contact gezocht met de Belastingdienst, ziektekostenverzekering, zijn werkgevers en het ziekenhuis. Helaas is er niets meer uit deze tijd bewaard gebleven. Eiser heeft contact gezocht met mensen van vroeger en heeft twee getuigenverklaringen toegezonden.
Wat vindt de rechtbank
5. De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of de SVB terecht een korting van 20% op het AOW-pensioen van eiser heeft toegepast omdat hij in de periode van 18 november 1967 tot en met 3 maart 1978 niet verzekerd is geweest voor de AOW. De rechtbank beoordeeld dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) volgt dat bij besluiten op aanvraag de bewijslast voor de feiten die tot het nemen van de gevraagde besluiten leiden, in hoofdzaak bij de aanvrager ligt. Voor deze bewijslastverdeling is te meer grond indien de te bewijzen feiten liggen binnen de invloedsfeer van de aanvrager.
7. De rechtbank merkt op dat de SVB, voor zover dat van hem gevergd wordt, voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht om vast te stellen of eiser in de periode van 1974 tot en met 1978 verzekerd is geweest voor de AOW. De SVB heeft naar aanleiding van de aanvraag van eiser en het bezwaar navraag gedaan bij de gemeentes [gemeente 1] , [gemeente 2] en [gemeente 3] , en ook bij [werkgever] (als opvolger van een oud werkgever van eiser). De SVB heeft geen bewijs gevonden waaruit blijkt dat eiser in de periode van 1974 tot en met 3 maart 1978 verzekerd was voor de AOW.
8. Dit betekent dat eiser aannemelijk moet maken dat hij in de door hem genoemde periode verzekerd is geweest voor de AOW. Eiser moet dit concreet en met stukken onderbouwen. Dat heeft hij niet gedaan. De stempel van de vreemdelingendienst in het paspoort van eiser is, ook in combinatie met de door eiser overgelegde verklaringen, niet voldoende om aan te nemen dat eiser vanaf 1974 tot en met 3 maart 1978 in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Dat eiser zich op 28 oktober 1974 bij de Vreemdelingendienst in [plaats] heeft gemeld, houdt namelijk niet in dat eiser vanaf 1974 tot en met 3 maart 1978 in Nederland woonde of werkte. En de door eiser overgelegde getuigenverklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende objectief en onafhankelijk.
Conclusie
9. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 1974 tot en met 1978 verzekerd was voor de AOW. De SVB heeft terecht op het AOW-pensioen van eiser een korting van 20% toegepast.
10. Het beroep van eiser is ongegrond. Dit betekent dat dat hij geen gelijk krijgt. Omdat eiser in beroep geen gelijk krijgt, worden de door hem gemaakte proceskosten of het betaalde griffierecht niet vergoed.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 18 augustus 2023 door mr. M.A. Broekhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Hoeijmans, griffier.
griffier
rechter
De uitspraak is verzonden op
en zal binnen een week na deze datum openbaar gemaakt worden door publicatie op rechtspraak.nl.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Raad van 15 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1207.