Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-17
ECLI:NL:RBZWB:2023:5751
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,482 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4098 TOZO
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Jansen).
Procesverloop
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 juli 2022 (bestreden besluit) inzake de herziening, intrekking en terugvordering van zijn uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo).
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2.1.
Eiser is samen met [naam] bestuurder van de onderneming [B.V.] en hij heeft 1/3 van de aandelen in deze B.V (de BV). Daarnaast is eiser eigenaar van de [eenmanszaak] .
2.2.
Eiser heeft over de periode van maart 2020 t/m september 2021 een Tozo-uitkering
(Tozo 1 t/m 5) gekregen.
2.3.
Met het besluit van 5 april 2022 heeft het college, na hercontrole, eisers Tozo-uitkering over maart en april 2020 herzien omdat hij over deze maanden meer inkomsten heeft ontvangen dan gekort zijn op de uitkering. Over de maanden juni en juli 2020 en de periodes september tot en met december 2020 en januari tot en met september 2021 wordt de Tozo-uitkering ingetrokken omdat eiser inkomsten had die de uitkeringsnorm overstijgen. Eiser dient een bedrag van € 15.725,21 terug te betalen.
2.4.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.5.
Met het bestreden besluit heeft het college dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college herziet eisers Tozo-uitkering over de maanden april, juni en december 2020 en januari, februari, april en juli 2021. Over november 2020 trekt het college de uitkering in. Een bedrag van € 4.659,11 wordt teruggevorderd. Het college stelt dat de inkomsten uit de eenmanszaak, behalve in april 2020, negatief waren. De inkomsten over april 2020 worden vastgesteld op € 19,79.
Bij het vaststellen van het inkomen uit de BV is rekening gehouden met de te betalen vennootschapsbelasting en met het feit dat eiser voor een derde aandeel heeft in de BV.
Het vaststellen van het inkomen uit eigen bedrijf is volgens het college bij de Tozo een andere dan bij het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) wordt gehanteerd. De Tozo-uitkering wordt niet per kalenderjaar vastgesteld maar per maand. Inkomsten die in een bepaalde maand worden verdiend moeten in dezelfde maand worden verrekend met de uitkering. Een verlies in de ene maand kan niet worden verrekend met winst in een andere maand. Het omgekeerde geldt ook. Deze systematiek volgt uit de artikelen 32, eerste lid, en 45, eerste lid, van de Participatiewet (PW). De wetgever heeft er expliciet voor gekozen om niet de verrekeningssystematiek van het Bbz te volgen, maar de systematiek die geldt voor de PW.
Het college volgt niet eisers stelling dat hij geen inkomsten uit de BV geeft genoten, omdat de winst in de BV is gebleven en niet is uitgekeerd. Dat niet is uitgekeerd, is geen reden om de winst niet als inkomsten aan te merken.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het college een deel van de variabele kosten ten onrechte niet heeft gemiddeld. Daardoor stelt het college ten onrechte dat in bepaalde maanden winst is gemaakt, terwijl toen in totaal verlies is geleden.
4.1.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college op goede gronden met het bestreden besluit eisers Tozo-uitkering over april, juni en december 2020 en januari, februari, april en juli 2021 heeft herzien, over november 2020 heeft ingetrokken en een bedrag van € 4.659,11 heeft teruggevorderd.
4.2.
Het college heeft de Tozo-uitkering van eiser herzien, ingetrokken en teruggevorderd omdat eiser inkomsten uit de BV heeft gehad waarmee niet eerder rekening is gehouden.
4.3.
Uit de Tozo en Nota van Toelichting (NvT) daarop blijkt dat een uitkering voor levensonderhoud kan worden verleend aan de zelfstandige wiens bedrijf financieel is geraakt door de coronacrisis. Als het inkomen als gevolg van de coronacrisis is gedaald tot onder het sociaal minimum kan een beroep op de Tozo worden gedaan. Uitgangspunt bij het vaststellen van het inkomen is het inkomensbegrip van artikel 32, eerste lid, van de PW. In de NvT is opgenomen dat op grond van artikel 78f van de PW in de Tozo kan worden afgeweken van artikel 32 van de PW. In artikel 6 van de Tozo zijn enige afwijkende bepalingen opgenomen.
Op grond van artikel 45, eerste lid, van de PW wordt de algemene bijstand per kalendermaand vastgesteld en betaald. In de Tozo zijn hierover verder geen van de PW afwijkende bepalingen opgenomen.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook terecht eisers inkomen per maand vastgesteld en bekeken of dat meer of minder is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Over de maanden dat dit inkomen meer is dan de bijstandsnorm heeft het college terecht gesteld dat eiser over die maand geen dan wel minder recht heeft op Tozo-uitkering. Het college is terecht overgegaan tot herziening, intrekking en terugvordering van de Tozo-uitkering.
4.5
Eiser heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat hij zijn argumenten nader kan onderbouwen. Dit is echter niet gebeurd.
Conclusie
5. Naar het oordeel van de rechtbank houdt het bestreden besluit stand. Het beroep is ongegrond. Eiser heeft geen recht op vergoeding van griffierecht.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 17 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Staatsblad 2020, nr. 118
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/4098 TOZO
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (het college), verweerder,
(gemachtigde: mr. J. Jansen).
Procesverloop
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 juli 2022 (bestreden besluit) inzake de herziening, intrekking en terugvordering van zijn uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo).
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 10 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college.
Beoordeling
2.1.
Eiser is samen met [naam] bestuurder van de onderneming [B.V.] en hij heeft 1/3 van de aandelen in deze B.V (de BV). Daarnaast is eiser eigenaar van de [eenmanszaak] .
2.2.
Eiser heeft over de periode van maart 2020 t/m september 2021 een Tozo-uitkering
(Tozo 1 t/m 5) gekregen.
2.3.
Met het besluit van 5 april 2022 heeft het college, na hercontrole, eisers Tozo-uitkering over maart en april 2020 herzien omdat hij over deze maanden meer inkomsten heeft ontvangen dan gekort zijn op de uitkering. Over de maanden juni en juli 2020 en de periodes september tot en met december 2020 en januari tot en met september 2021 wordt de Tozo-uitkering ingetrokken omdat eiser inkomsten had die de uitkeringsnorm overstijgen. Eiser dient een bedrag van € 15.725,21 terug te betalen.
2.4.
Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
2.5.
Met het bestreden besluit heeft het college dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college herziet eisers Tozo-uitkering over de maanden april, juni en december 2020 en januari, februari, april en juli 2021. Over november 2020 trekt het college de uitkering in. Een bedrag van € 4.659,11 wordt teruggevorderd. Het college stelt dat de inkomsten uit de eenmanszaak, behalve in april 2020, negatief waren. De inkomsten over april 2020 worden vastgesteld op € 19,79.
Bij het vaststellen van het inkomen uit de BV is rekening gehouden met de te betalen vennootschapsbelasting en met het feit dat eiser voor een derde aandeel heeft in de BV.
Het vaststellen van het inkomen uit eigen bedrijf is volgens het college bij de Tozo een andere dan bij het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) wordt gehanteerd. De Tozo-uitkering wordt niet per kalenderjaar vastgesteld maar per maand. Inkomsten die in een bepaalde maand worden verdiend moeten in dezelfde maand worden verrekend met de uitkering. Een verlies in de ene maand kan niet worden verrekend met winst in een andere maand. Het omgekeerde geldt ook. Deze systematiek volgt uit de artikelen 32, eerste lid, en 45, eerste lid, van de Participatiewet (PW). De wetgever heeft er expliciet voor gekozen om niet de verrekeningssystematiek van het Bbz te volgen, maar de systematiek die geldt voor de PW.
Het college volgt niet eisers stelling dat hij geen inkomsten uit de BV geeft genoten, omdat de winst in de BV is gebleven en niet is uitgekeerd. Dat niet is uitgekeerd, is geen reden om de winst niet als inkomsten aan te merken.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het college een deel van de variabele kosten ten onrechte niet heeft gemiddeld. Daardoor stelt het college ten onrechte dat in bepaalde maanden winst is gemaakt, terwijl toen in totaal verlies is geleden.
4.1.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college op goede gronden met het bestreden besluit eisers Tozo-uitkering over april, juni en december 2020 en januari, februari, april en juli 2021 heeft herzien, over november 2020 heeft ingetrokken en een bedrag van € 4.659,11 heeft teruggevorderd.
4.2.
Het college heeft de Tozo-uitkering van eiser herzien, ingetrokken en teruggevorderd omdat eiser inkomsten uit de BV heeft gehad waarmee niet eerder rekening is gehouden.
4.3.
Uit de Tozo en Nota van Toelichting (NvT) daarop blijkt dat een uitkering voor levensonderhoud kan worden verleend aan de zelfstandige wiens bedrijf financieel is geraakt door de coronacrisis. Als het inkomen als gevolg van de coronacrisis is gedaald tot onder het sociaal minimum kan een beroep op de Tozo worden gedaan. Uitgangspunt bij het vaststellen van het inkomen is het inkomensbegrip van artikel 32, eerste lid, van de PW. In de NvT is opgenomen dat op grond van artikel 78f van de PW in de Tozo kan worden afgeweken van artikel 32 van de PW. In artikel 6 van de Tozo zijn enige afwijkende bepalingen opgenomen.
Op grond van artikel 45, eerste lid, van de PW wordt de algemene bijstand per kalendermaand vastgesteld en betaald. In de Tozo zijn hierover verder geen van de PW afwijkende bepalingen opgenomen.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook terecht eisers inkomen per maand vastgesteld en bekeken of dat meer of minder is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Over de maanden dat dit inkomen meer is dan de bijstandsnorm heeft het college terecht gesteld dat eiser over die maand geen dan wel minder recht heeft op Tozo-uitkering. Het college is terecht overgegaan tot herziening, intrekking en terugvordering van de Tozo-uitkering.
4.5
Eiser heeft in zijn beroepschrift aangegeven dat hij zijn argumenten nader kan onderbouwen. Dit is echter niet gebeurd.
Conclusie
5. Naar het oordeel van de rechtbank houdt het bestreden besluit stand. Het beroep is ongegrond. Eiser heeft geen recht op vergoeding van griffierecht.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. H.D. Sebel, griffier op 17 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Staatsblad 2020, nr. 118