Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-10
ECLI:NL:RBZWB:2023:5667
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,578 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3226 WIA
uitspraak van 10 augustus 2023 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen
[naam] te [plaatsnaam], verzoeker,
gemachtigde: mr. P.A.M. Staal,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.
Inleiding
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 juni 2021 (bestreden besluit) van het UWV over de weigering van zijn WIA-uitkering.
Bij besluit van 26 januari 2023 heeft het UWV bericht het bestreden besluit niet te handhaven voor zover het de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid betreft. Eisers mate van arbeidsongeschiktheid is per 15 september 2020 herzien naar 100%, niet duurzaam.
Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV heeft hierop gereageerd dat het zich ten aanzien van een veroordeling in de proceskosten refereert aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 26 januari 2023 dat het UWV aan verzoeker is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
3. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 49,- aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier, op 10 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/3226 WIA
uitspraak van 10 augustus 2023 van de enkelvoudige kamer op het verzoek om veroordeling in de proceskosten in de zaak tussen
[naam] te [plaatsnaam], verzoeker,
gemachtigde: mr. P.A.M. Staal,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor Breda), verweerder.
Inleiding
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 juni 2021 (bestreden besluit) van het UWV over de weigering van zijn WIA-uitkering.
Bij besluit van 26 januari 2023 heeft het UWV bericht het bestreden besluit niet te handhaven voor zover het de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid betreft. Eisers mate van arbeidsongeschiktheid is per 15 september 2020 herzien naar 100%, niet duurzaam.
Vervolgens heeft verzoeker het beroep ingetrokken, met het verzoek het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV heeft hierop gereageerd dat het zich ten aanzien van een veroordeling in de proceskosten refereert aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank heeft, met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een behandeling van het verzoek ter zitting achterwege gelaten.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank, indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten.
2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 26 januari 2023 dat het UWV aan verzoeker is tegemoetgekomen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding het UWV te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
3. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het UWV op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb het griffierecht van € 49,- aan verzoeker dient te vergoeden, zodat een veroordeling daartoe niet nodig is.
Dictum
De rechtbank veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Karsten-Badal, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier, op 10 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank.