Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-19
ECLI:NL:RBZWB:2023:5482
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
5,514 tokens
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 10449500 \ CV EXPL 23-1362
Vonnis van 19 juli 2023
in de zaak van
STICHTING WONENBREBURG
,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: WonenBreburg,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde01]
,
te [plaats01] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde01] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 3 mei 2023 met de daarin genoemde producties;
de akte van WonenBreburg met producties;
de mondelinge behandeling van 9 juni 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
het ter zitting door WonenBreburg overhandigde overzicht met daarop vermeld de actuele huurachterstand.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
WonenBreburg vordert – na vermindering van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende de woonruimte staande en gelegen te ( [postcode01] ) [plaats01] , aan het adres
[adres01] ;
[gedaagde01] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde met alle zich daarin bevindende personen en zaken te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels en hetgeen daartoe verder behoort ter vrije en algehele beschikking te stellen van WonenBreburg;
[gedaagde01] te veroordelen tot betaling van
- een bedrag van € 2.198,70 ten titel van huur, rente en incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.879,83 vanaf
5 april 2023 tot aan de dag der voldoening;
- een bedrag van € 445,36 per maand, voor de woning met verdere aanhorigheden, zijnde de periodiek door [gedaagde01] aan WonenBreburg verschuldigde huurverplichting, te rekenen na 30 april 2023 tot aan het tijdstip dat de onderhavige overeenkomst wordt ontbonden;
- een bedrag van € 445,36 per maand ter zake van schadevergoeding voor elke maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde01] in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen en ter beschikking van WonenBreburg te stellen, zulks ingaande op het tijdstip waarop onderhavige huurovereenkomst wordt beëindigd;
met veroordeling van [gedaagde01] in de proceskosten.
2.2.
WonenBreburg heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde01] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. De tekortkoming bestaat uit het onbetaald laten van de volledige huur. De huurachterstand bedroeg ten tijde van de dagvaarding € 2.879,83. De huurachterstand is gedurende de procedure afgenomen tot een bedrag van € 1.970,89. Ten tijde van de dagvaarding bestond een huurachterstand van meer dan drie maanden, wat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. De vordering daartoe en de daarmee verband houdende nevenvorderingen dienen daarom te worden toegewezen. WonenBreburg heeft in het buitengerechtelijk traject [gedaagde01] verschillende mogelijkheden geboden om op de huurachterstand in te lopen. Dit is gedeeltelijk gebeurd. Echter is het al vanaf de aanvang van de huurovereenkomst meermaals voorgekomen dat [gedaagde01] de huur niet (tijdig) en/of volledig heeft betaald. Het is lastig om met [gedaagde01] in contact te komen. Ook komt het regelmatig voor dat hij de gemaakte afspraken met WonenBreburg of Schuldhulpverlening niet nakomt. Daarom is WonenBreburg tot dagvaarden overgegaan. Gelet op het voorgaande kan van WonenBreburg niet worden verlangd om de huurovereenkomst langer in stand te houden, aldus WonenBreburg.
2.3.
[gedaagde01] was in de veronderstelling dat er slechts één maand huur onbetaald is gelaten. Hij heeft verder toegelicht dat de huurachterstand vermoedelijk is ontstaan doordat zijn vaste lasten niet zijn doorbetaald gedurende de periode dat hij in detentie heeft gezeten. Zijn vaste lasten zouden vanuit de bijzondere bijstand worden betaald die door hem is aangevraagd en goedgekeurd door de gemeente. Inmiddels heeft [gedaagde01] contact gezocht met Schuldhulpverlening en is hij in afwachting van een bijstandsuitkering.
Niet verschenen ter zitting
2.4.
De kantonrechter heeft na de rolzitting een mondelinge behandeling bepaald. [gedaagde01] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van 9 juni 2023 verschenen. Door niet op de zitting te verschijnen, heeft [gedaagde01] zichzelf de mogelijkheid ontnomen om zijn stellingen nader toe te lichten, om op de (nadere) stellingen van WonenBreburg in te gaan en om vragen daarover van de kantonrechter te beantwoorden. Dit, terwijl er in het tussenvonnis van 3 mei 2023 uitdrukkelijk op is gewezen dat aan een eventuele niet-verschijning gevolgen kunnen worden verbonden die de kantonrechter passend acht.
Huurachterstand
2.5.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde01] van WonenBreburg de woning aan de [adres01] te [plaats01] huurt tegen een bij vooruitbetaling te betalen huurprijs, die ten tijde van de dagvaarding € 445,36 per maand bedroeg. Niet in geschil is verder dat [gedaagde01] een huurachterstand heeft laten ontstaan. WonenBreburg heeft de huurachterstand ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding berekend op € 2.879,83 (huurachterstand tot en met april 2023). De huurachterstand is gedurende de procedure afgenomen tot een bedrag van
€ 1.970,89 (huurachterstand tot en met juni 2023). Nu tussen partijen is komen vast te staan dat de huurachterstand tot en met juni 2023 € 1.970,89 bedraagt, zal [gedaagde01] worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag.
Ontbinding & ontruiming
2.6.
Uit artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vloeit voort dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verplichtingen kan leiden tot gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn.
2.7.
De kantonrechter stelt vast dat de openstaande huurachterstand een bedrag van € 1.970,89 bedraagt, zijnde ruim vier maanden. De kantonrechter is van oordeel dat hiermee sprake is van een zodanige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst, dat hierdoor de ontbinding van huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wordt gerechtvaardigd. Een huurovereenkomst houdt voor beide partijen namelijk een voortdurende verplichting in. Dit brengt mee dat indien een partij is tekortgeschoten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst, deze weliswaar voor de toekomst nog kan worden nagekomen, maar dat de tekortkoming in het verleden daarmee niet ongedaan kan worden gemaakt. Door de huur niet tijdig te betalen, heeft [gedaagde01] een tekortkoming in de nakoming laten ontstaan die niet ongedaan gemaakt kan worden. Bovendien wordt niet verwacht dat [gedaagde01] op korte termijn wel in staat is om (tijdig) aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst te voldoen en daarnaast de huurachterstand in te lopen. Onder meer doordat tijdens de zitting door WonenBreburg is opgemerkt dat zij te horen heeft gekregen dat het Schuldhulpverlening niet (meer) lukt om in contact te komen met [gedaagde01] . Dit betekent dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal worden toegewezen.
2.8.
De ontruimingstermijn zal worden bepaald op de redelijke en gebruikelijke termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Vervallen huurtermijnen
2.9.
De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag van € 445,36 per maand voor nog te vervallen huurpenningen vanaf juli 2023 toe, nu de huurtermijnen tot en met juni 2023 al zijn meegenomen in de toe te wijzen huurachterstand, tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst.
2.10.
De kantonrechter wijst eveneens toe het gevorderde bedrag van € 445,36 per maand als gebruiksvergoeding voor elke maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde01] vanaf de datum van ontbinding in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen.
Rente & buitengerechtelijke incassokosten
2.11.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
ontbindt met ingang van de dag na heden de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning, staande en gelegen te ( [postcode01] ) [plaats01] , aan het [adres01] ,
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met alle personen en zaken die zich daarin vanwege [gedaagde01] bevinden te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van WonenBreburg te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde01] om aan WonenBreburg te betalen;
- een bedrag van € 2.198,70 aan huur tot en met juni 2023 (inclusief buitengerechtelijke kosten en verschenen rente), te vermeerderen met de wettelijke rente over de in de dagvaarding genoemde openstaande huurtermijnen van een totaalbedrag van € 2.879,83 vanaf 5 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, met inachtneming van elke debet- en creditmutatie;
- een bedrag van € 445,36 per maand aan nog te vervallen huurpenningen vanaf juli 2023 tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst;
- een bedrag van € 445,36 als gebruiksvergoeding voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde01] het gehuurde na de ontbinding van de huurovereenkomst feitelijk in gebruik houdt;
3.4.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de zijde van Woonzorg tot dit vonnis vastgesteld op € 1.014,85;
3.5.
verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Karsten-Badal en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2023.
Inleiding
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 10449500 \ CV EXPL 23-1362
Vonnis van 19 juli 2023
in de zaak van
STICHTING WONENBREBURG
,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: WonenBreburg,
gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde01]
,
te [plaats01] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde01] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 3 mei 2023 met de daarin genoemde producties;
de akte van WonenBreburg met producties;
de mondelinge behandeling van 9 juni 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
het ter zitting door WonenBreburg overhandigde overzicht met daarop vermeld de actuele huurachterstand.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Geschil
2.1.
WonenBreburg vordert – na vermindering van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst betreffende de woonruimte staande en gelegen te ( [postcode01] ) [plaats01] , aan het adres
[adres01] ;
[gedaagde01] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde met alle zich daarin bevindende personen en zaken te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels en hetgeen daartoe verder behoort ter vrije en algehele beschikking te stellen van WonenBreburg;
[gedaagde01] te veroordelen tot betaling van
- een bedrag van € 2.198,70 ten titel van huur, rente en incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 2.879,83 vanaf
5 april 2023 tot aan de dag der voldoening;
- een bedrag van € 445,36 per maand, voor de woning met verdere aanhorigheden, zijnde de periodiek door [gedaagde01] aan WonenBreburg verschuldigde huurverplichting, te rekenen na 30 april 2023 tot aan het tijdstip dat de onderhavige overeenkomst wordt ontbonden;
- een bedrag van € 445,36 per maand ter zake van schadevergoeding voor elke maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde01] in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen en ter beschikking van WonenBreburg te stellen, zulks ingaande op het tijdstip waarop onderhavige huurovereenkomst wordt beëindigd;
met veroordeling van [gedaagde01] in de proceskosten.
2.2.
WonenBreburg heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde01] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. De tekortkoming bestaat uit het onbetaald laten van de volledige huur. De huurachterstand bedroeg ten tijde van de dagvaarding € 2.879,83. De huurachterstand is gedurende de procedure afgenomen tot een bedrag van € 1.970,89. Ten tijde van de dagvaarding bestond een huurachterstand van meer dan drie maanden, wat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. De vordering daartoe en de daarmee verband houdende nevenvorderingen dienen daarom te worden toegewezen. WonenBreburg heeft in het buitengerechtelijk traject [gedaagde01] verschillende mogelijkheden geboden om op de huurachterstand in te lopen. Dit is gedeeltelijk gebeurd. Echter is het al vanaf de aanvang van de huurovereenkomst meermaals voorgekomen dat [gedaagde01] de huur niet (tijdig) en/of volledig heeft betaald. Het is lastig om met [gedaagde01] in contact te komen. Ook komt het regelmatig voor dat hij de gemaakte afspraken met WonenBreburg of Schuldhulpverlening niet nakomt. Daarom is WonenBreburg tot dagvaarden overgegaan. Gelet op het voorgaande kan van WonenBreburg niet worden verlangd om de huurovereenkomst langer in stand te houden, aldus WonenBreburg.
2.3.
[gedaagde01] was in de veronderstelling dat er slechts één maand huur onbetaald is gelaten. Hij heeft verder toegelicht dat de huurachterstand vermoedelijk is ontstaan doordat zijn vaste lasten niet zijn doorbetaald gedurende de periode dat hij in detentie heeft gezeten. Zijn vaste lasten zouden vanuit de bijzondere bijstand worden betaald die door hem is aangevraagd en goedgekeurd door de gemeente. Inmiddels heeft [gedaagde01] contact gezocht met Schuldhulpverlening en is hij in afwachting van een bijstandsuitkering.
Niet verschenen ter zitting
2.4.
De kantonrechter heeft na de rolzitting een mondelinge behandeling bepaald. [gedaagde01] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting van 9 juni 2023 verschenen. Door niet op de zitting te verschijnen, heeft [gedaagde01] zichzelf de mogelijkheid ontnomen om zijn stellingen nader toe te lichten, om op de (nadere) stellingen van WonenBreburg in te gaan en om vragen daarover van de kantonrechter te beantwoorden. Dit, terwijl er in het tussenvonnis van 3 mei 2023 uitdrukkelijk op is gewezen dat aan een eventuele niet-verschijning gevolgen kunnen worden verbonden die de kantonrechter passend acht.
Huurachterstand
2.5.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde01] van WonenBreburg de woning aan de [adres01] te [plaats01] huurt tegen een bij vooruitbetaling te betalen huurprijs, die ten tijde van de dagvaarding € 445,36 per maand bedroeg. Niet in geschil is verder dat [gedaagde01] een huurachterstand heeft laten ontstaan. WonenBreburg heeft de huurachterstand ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding berekend op € 2.879,83 (huurachterstand tot en met april 2023). De huurachterstand is gedurende de procedure afgenomen tot een bedrag van
€ 1.970,89 (huurachterstand tot en met juni 2023). Nu tussen partijen is komen vast te staan dat de huurachterstand tot en met juni 2023 € 1.970,89 bedraagt, zal [gedaagde01] worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag.
Ontbinding & ontruiming
2.6.
Uit artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vloeit voort dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van haar verplichtingen kan leiden tot gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Bij de beantwoording van de vraag of ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is, kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn.
2.7.
De kantonrechter stelt vast dat de openstaande huurachterstand een bedrag van € 1.970,89 bedraagt, zijnde ruim vier maanden. De kantonrechter is van oordeel dat hiermee sprake is van een zodanige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst, dat hierdoor de ontbinding van huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde wordt gerechtvaardigd. Een huurovereenkomst houdt voor beide partijen namelijk een voortdurende verplichting in. Dit brengt mee dat indien een partij is tekortgeschoten in de nakoming van een verplichting uit de huurovereenkomst, deze weliswaar voor de toekomst nog kan worden nagekomen, maar dat de tekortkoming in het verleden daarmee niet ongedaan kan worden gemaakt. Door de huur niet tijdig te betalen, heeft [gedaagde01] een tekortkoming in de nakoming laten ontstaan die niet ongedaan gemaakt kan worden. Bovendien wordt niet verwacht dat [gedaagde01] op korte termijn wel in staat is om (tijdig) aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst te voldoen en daarnaast de huurachterstand in te lopen. Onder meer doordat tijdens de zitting door WonenBreburg is opgemerkt dat zij te horen heeft gekregen dat het Schuldhulpverlening niet (meer) lukt om in contact te komen met [gedaagde01] . Dit betekent dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde zal worden toegewezen.
2.8.
De ontruimingstermijn zal worden bepaald op de redelijke en gebruikelijke termijn van veertien dagen na betekening van dit vonnis.
Vervallen huurtermijnen
2.9.
De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag van € 445,36 per maand voor nog te vervallen huurpenningen vanaf juli 2023 toe, nu de huurtermijnen tot en met juni 2023 al zijn meegenomen in de toe te wijzen huurachterstand, tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst.
2.10.
De kantonrechter wijst eveneens toe het gevorderde bedrag van € 445,36 per maand als gebruiksvergoeding voor elke maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde01] vanaf de datum van ontbinding in gebreke blijft het gehuurde te ontruimen.
Rente & buitengerechtelijke incassokosten
2.11.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
ontbindt met ingang van de dag na heden de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning, staande en gelegen te ( [postcode01] ) [plaats01] , aan het [adres01] ,
3.2.
veroordeelt [gedaagde01] om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met alle personen en zaken die zich daarin vanwege [gedaagde01] bevinden te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van WonenBreburg te stellen;
3.3.
veroordeelt [gedaagde01] om aan WonenBreburg te betalen;
- een bedrag van € 2.198,70 aan huur tot en met juni 2023 (inclusief buitengerechtelijke kosten en verschenen rente), te vermeerderen met de wettelijke rente over de in de dagvaarding genoemde openstaande huurtermijnen van een totaalbedrag van € 2.879,83 vanaf 5 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, met inachtneming van elke debet- en creditmutatie;
- een bedrag van € 445,36 per maand aan nog te vervallen huurpenningen vanaf juli 2023 tot aan de datum van ontbinding van de huurovereenkomst;
- een bedrag van € 445,36 als gebruiksvergoeding voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [gedaagde01] het gehuurde na de ontbinding van de huurovereenkomst feitelijk in gebruik houdt;
3.4.
veroordeelt [gedaagde01] in de proceskosten, aan de zijde van Woonzorg tot dit vonnis vastgesteld op € 1.014,85;
3.5.
verklaart de hiervoor uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Karsten-Badal en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2023.