Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-08-03
ECLI:NL:RBZWB:2023:5468
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,324 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5665
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2023 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser
(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van 30 mei 2022 om een beslissing te nemen op de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering), omdat eiser niet op het spreekuur van de verzekeringsarts en de psychologe van het UWV is verschenen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het moeten terugbetalen van het voorschot van de WIA-uitkering omdat hij geen WIA-uitkering krijgt.
1.1.
Met het bestreden besluit van 12 oktober 2022 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de weigering om een beslissing te nemen op de aanvraag gebleven.
1.2.
Het UWV heeft op 14 maart 2023 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. In dit verweerschrift staat dat eiser op 4 januari 2023 een nieuwe aanvraag voor een WIA-uitkering heeft ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en mr. H. Verhoeven namens het UWV. Eiser was niet aanwezig.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser heeft op 2 januari 2022 een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft geoordeeld dat, om het recht op een WIA-uitkering vast te kunnen stellen, eiser medisch onderzocht dient te worden door een verzekeringsarts en een psychologe. Eiser is, volgens het UWV, bij brieven van 18 februari 2022, 1 april 2022, 20 april 2022 en 11 mei 2022 opgeroepen voor het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de psychologe. Eiser is niet gekomen en heeft zich ook niet afgemeld. Vervolgens volgt de besluitvorming zoals in de inleiding beschreven.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt eerst ambtshalve of er sprake is van een procesbelang, omdat het UWV in het verweerschrift heeft aangegeven dat eiser op 4 januari 2023 een nieuwe aanvraag voor een WIA-uitkering heeft ingediend.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser een procesbelang?
5. Eiser voert de volgende beroepsgronden aan. Ten eerste had het UWV ook zonder een medisch en psychologisch onderzoek eisers recht op een WIA-uitkering kunnen vaststellen. Ten tweede is eiser niet op correcte wijze opgeroepen voor het gesprek met de verzekeringsarts en de psychologe. Ten slotte zou het bestreden besluit van 12 oktober 2022 onevenredig zijn, omdat het UWV geen rekening gehouden heeft met de persoonlijke omstandigheden van eiser.
5.1.
Op de zitting geeft het UWV aan dat eiser op 2 maart 2023 is onderzocht door de verzekeringsarts naar aanleiding van de nieuwe aanvraag voor een WIA-uitkering op 4 januari 2023. Bij de beoordeling van deze nieuwe aanvraag is van dezelfde ziekmeldingsdatum (3 december 2019) en datum eventuele toekenning WIA-uitkering (28 november 2021) uitgegaan als in deze zaak. De aanvraag is afgewezen omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Tegen deze afwijzing loopt nu een bezwaarprocedure.
5.2.
De rechtbank overweegt dat er sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
5.3.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang meer heeft bij deze procedure. Naar aanleiding van de nieuwe aanvraag van 4 januari 2023 is eiser opnieuw opgeroepen voor een spreekuur bij, in ieder geval, de verzekeringsarts. Op dat spreekuur is hij ook verschenen. Vervolgens is naar aanleiding van deze aanvraag een nieuw, inhoudelijk besluit genomen. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een oordeel van de rechtbank over de eerdere weigering van het UWV om een beslissing te nemen op de WIA-aanvraag van eiser. Verder heeft eiser, nu er een inhoudelijke afwijzing van de WIA-aanvraag ligt, ook geen belang meer bij een oordeel over de stopzetting van het voorschot en de terugvordering van het te veel betaalde voorschot. De gronden hiertegen kan eiser aanvoeren in de lopende bezwaarprocedure tegen de inhoudelijke afwijzing van de WIA-aanvraag.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Nu het UWV eiser opnieuw heeft opgeroepen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, is het UWV ook niet tegemoet gekomen aan het beroep van eiser. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 3 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Deze weigeringsgrond staat in artikel 46a van de Wet WIA.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC5924, rechtsoverweging 4.1.
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/5665
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2023 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaatsnaam] , eiser
(gemachtigde: mr. F.Y. Gans),
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de weigering van 30 mei 2022 om een beslissing te nemen op de aanvraag van eiser voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA-uitkering), omdat eiser niet op het spreekuur van de verzekeringsarts en de psychologe van het UWV is verschenen. Daarnaast beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het moeten terugbetalen van het voorschot van de WIA-uitkering omdat hij geen WIA-uitkering krijgt.
1.1.
Met het bestreden besluit van 12 oktober 2022 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de weigering om een beslissing te nemen op de aanvraag gebleven.
1.2.
Het UWV heeft op 14 maart 2023 op het beroep gereageerd met een verweerschrift. In dit verweerschrift staat dat eiser op 4 januari 2023 een nieuwe aanvraag voor een WIA-uitkering heeft ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 juni 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en mr. H. Verhoeven namens het UWV. Eiser was niet aanwezig.
Totstandkoming van het besluit
2. Eiser heeft op 2 januari 2022 een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft geoordeeld dat, om het recht op een WIA-uitkering vast te kunnen stellen, eiser medisch onderzocht dient te worden door een verzekeringsarts en een psychologe. Eiser is, volgens het UWV, bij brieven van 18 februari 2022, 1 april 2022, 20 april 2022 en 11 mei 2022 opgeroepen voor het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de psychologe. Eiser is niet gekomen en heeft zich ook niet afgemeld. Vervolgens volgt de besluitvorming zoals in de inleiding beschreven.
Beoordeling
3. De rechtbank beoordeelt eerst ambtshalve of er sprake is van een procesbelang, omdat het UWV in het verweerschrift heeft aangegeven dat eiser op 4 januari 2023 een nieuwe aanvraag voor een WIA-uitkering heeft ingediend.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft eiser een procesbelang?
5. Eiser voert de volgende beroepsgronden aan. Ten eerste had het UWV ook zonder een medisch en psychologisch onderzoek eisers recht op een WIA-uitkering kunnen vaststellen. Ten tweede is eiser niet op correcte wijze opgeroepen voor het gesprek met de verzekeringsarts en de psychologe. Ten slotte zou het bestreden besluit van 12 oktober 2022 onevenredig zijn, omdat het UWV geen rekening gehouden heeft met de persoonlijke omstandigheden van eiser.
5.1.
Op de zitting geeft het UWV aan dat eiser op 2 maart 2023 is onderzocht door de verzekeringsarts naar aanleiding van de nieuwe aanvraag voor een WIA-uitkering op 4 januari 2023. Bij de beoordeling van deze nieuwe aanvraag is van dezelfde ziekmeldingsdatum (3 december 2019) en datum eventuele toekenning WIA-uitkering (28 november 2021) uitgegaan als in deze zaak. De aanvraag is afgewezen omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Tegen deze afwijzing loopt nu een bezwaarprocedure.
5.2.
De rechtbank overweegt dat er sprake is van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben.
5.3.
De rechtbank oordeelt dat eiser geen belang meer heeft bij deze procedure. Naar aanleiding van de nieuwe aanvraag van 4 januari 2023 is eiser opnieuw opgeroepen voor een spreekuur bij, in ieder geval, de verzekeringsarts. Op dat spreekuur is hij ook verschenen. Vervolgens is naar aanleiding van deze aanvraag een nieuw, inhoudelijk besluit genomen. Eiser heeft daarom geen belang meer bij een oordeel van de rechtbank over de eerdere weigering van het UWV om een beslissing te nemen op de WIA-aanvraag van eiser. Verder heeft eiser, nu er een inhoudelijke afwijzing van de WIA-aanvraag ligt, ook geen belang meer bij een oordeel over de stopzetting van het voorschot en de terugvordering van het te veel betaalde voorschot. De gronden hiertegen kan eiser aanvoeren in de lopende bezwaarprocedure tegen de inhoudelijke afwijzing van de WIA-aanvraag.
Conclusie
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Nu het UWV eiser opnieuw heeft opgeroepen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, is het UWV ook niet tegemoet gekomen aan het beroep van eiser. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 3 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Deze weigeringsgrond staat in artikel 46a van de Wet WIA.
Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 5 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC5924, rechtsoverweging 4.1.