Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
2023-07-21
ECLI:NL:RBZWB:2023:5175
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,530 tokens
Inleiding
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/2906
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2023 in de zaak tussen
[naam eiseres] , uit [plaatsnaam] , eiseres
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat de staatssecretaris volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek (aanvraag) op grond van de Wet open overheid (Woo) van 22 september 2022. Eiseres heeft hierbij verzocht om openbaarmaking van documenten die gaan over de aanpassing werkwijze handvatten nareis van januari 2018 tot 22 september 2022.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 22 september 2022. De staatssecretaris moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag en kan deze termijn eenmalig met twee weken verlengen. De staatssecretaris had dus uiterlijk op 9 november 2022 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de staatssecretaris moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft de staatssecretaris op 2 mei 2023 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan de staatssecretaris worden opgelegd?
4. Omdat de staatssecretaris nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de staatssecretaris dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. De staatssecretaris heeft uitgelegd dat hij tot begin oktober 2023 de tijd nodig heeft om te beslissen op het verzoek omdat er bij het verzoek een aanzienlijke hoeveelheid documenten betrokken is en de volledige behandeling van deze stukken veel tijd vergt. Inmiddels is het een en ander in gang gezet, maar de documenten moeten nog worden beoordeeld, zienswijzen moeten nog uitgevraagd worden bij derde-belanghebbenden en interne afstemming zal enige tijd kosten. Daarnaast zijn er - gelijktijdig met de behandeling van dit verzoek - veel omvangrijke verzoeken in behandeling. De rechtbank vindt de omvang van het verzoek en de daarbij betrokken belangen van derden een goede reden om de staatssecretaris een langere termijn dan twee weken te geven. Omdat het verzoek al geruime tijd bij de staatssecretaris ligt zonder dat er iets is gebeurd en er sinds de indiening van het verweerschrift op 7 juni 2023 enige tijd is verstreken, krijgt hij niet de gevraagde termijn tot en met begin oktober 2023. Verweerder moet het besluit nemen binnen zes weken na het verzenden van de uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de staatssecretaris opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de staatssecretaris een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de staatssecretaris. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, de staatssecretaris de onder 4.1. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de staatssecretaris de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is moet de staatssecretaris het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
draagt de staatssecretaris op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de staatssecretaris aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 184,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. van Alphen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 21 juli 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.
Dit staat in artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de Woo.